XX.
HET BAAIEN KLEED.
De jongen was weer op weg hoog in de lucht. Hij had de groote vlakte van Oostgothland beneden zich, en telde de vele witte kerken, die boven kleine boschjes uitstaken.
Op de meeste hoeven stonden groote, witgeschilderde huizen met twee verdiepingen, die er zoo deftig uitzagen, dat de jongen er zich over verbaasde.
"Er moeten in dit land geen boeren wonen," zei hij in zichzelf, "want ik zie nergens boerderijen."
Toen riepen dadelijk alle wilde ganzen; "Hier wonen de boeren als heeren! Hier wonen de boeren als heeren!"
Op de vlakte waren ijs en sneeuw verdwenen, en het lentewerk was begonnen.
"Wat zijn dat voor lange kreeften, die daar over de akkers kruipen?" vroeg de jongen na een poos.
"Ossen en ploegen! Ossen en ploegen!" antwoordden alle wilde ganzen.
De ossen bewogen zich zoo langzaam voort over de akkers, dat het haast niet merkbaar was, dat ze vooruit kwamen, en de ganzen riepen hun toe. "Jelui komt van 't jaar niet klaar! Jelui komt van 't jaar niet klaar!"
Maar de ossen bleven hun geen antwoord schuldig. Zij staken den bek hoog in de lucht en loeiden: "Wij doen meer nut in één uur, dan jelui in 't heele jaar!"
Op enkele plaatsen werden de ploegen door paarden getrokken. Die liepen veel vlijtiger en sneller dan de ossen, maar de ganzen konden niet laten ook hen te plagen.
"Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?" riepen zij de paarden toe. "Schaam jelui je niet ossenwerk te doen?"
"Schaam jelui je niet zoo te luieren?" hinnikten de paarden terug.
Terwijl de paarden en ossen buiten aan 't werk waren, liep