Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/200

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Maar de menschen woonden zeker graag op die vlakte, omdat ze goed en mild was, en ze hadden geprobeerd haar zoo goed mogelijk te versieren. Toen de jongen daar zoo hoog door de lucht reed, vond hij, dat steden en hoeven, kerken en fabrieken, paleizen en stationsgebouwen als kleine en groote sieraden er over verspreid lagen. De pannedaken schitterden, en de vensterruiten blonken als juweelen. Gele landwegen, glanzende spoorrails en blauwe kanalen liepen door de verschillende plaatsjes als in zijde geborduurde guirlandes. Linköping lag om zijn domkerk heen, als een groep parels om een kostbaren steen, en de hoeven op het land waren als kleine borstspelden en knoopen. Er was niet veel orde en regel in 't patroon, maar het was een pracht, waar je nooit genoeg naar kijken kon.

De ganzen hadden de streek bij Omberg verlaten, en vlogen naar het oosten langs het Götakanaal. Dat was ook bezig zich in orde te maken voor den zomer. De arbeiders maakten de kanten van het kanaal gelijk, en teerden de groote sluispoorten.

Ja, er werd overal gewerkt om de lente goed te ontvangen, ook in de steden. Daar stonden de schilders en de metselaars op de steigers voor de huizen, en maakten ze mooi, en de dienstmeisjes stonden in het open venster, en lapten de glazen. Beneden aan de haven werden zeil- en stoombooten in orde gemaakt.

Bij Nörrköping verlieten de wilde ganzen de vlakte, en vlogen naar den kant van Kolmard. Ze hadden een poos langs een ouden heuvelachtigen landweg gevlogen, die langs diepe kloven en woeste rotswanden slingerde, toen de jongen plotseling een gil gaf. Hij had met de voeten heen en weer zitten zwaaien, en een van zijn klompen was gevallen.

"Ganzerik! ganzerik! ik heb mijn klomp laten vallen."

De ganzerik keerde om, en wilde neerdalen op het veld. Maar toen zag de jongen, dat twee kinderen, die er juist aankwamen, zijn klomp hadden opgeraapt.

"Ganzerik, ganzerik! Vlieg weer naar boven! Het is te laat. Ik kan mijn klomp niet terug krijgen!"

Beneden op den weg stond Asa, het ganzenhoedstertje en haar broer, de kleine Mads, en bekeken een klompje, dat uit de lucht was komen vallen.

"De wilde ganzen lieten het vallen," zei de kleine Mads.

Asa, het ganzenhoedstertje stond lang over die vondst te denken. Eindelijk zei ze langzaam en peinzend: "Herinner jij je wel, Mads, dat we, toen we voorbij 't Ovedklooster liepen, er over hebben hooren praten, dat er in een boerderij een dwergje gezien was met een leeren broek aan, en met klompen aan de voeten als een werkman? En herinner je je, dat we, toen we in Vittskövle kwamen, een meisje hoorden vertellen, dat ze een Goa-dwerg