Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/204

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

kwaad, dat hij ooit bedreven had. Dat kwam misschien, doordat hij noch de eland, noch haar kalfje had willen dooden, maar ze heelemaal, zonder dat hij het wilde, om het leven had gebracht.

"Maar ze leven misschien nog," dacht de hond opeens. "Ze waren immers niet dood, toen ik van hen wegliep. Misschien zijn ze er nog wel uitgeraakt."

Hij kreeg een onweerstaanbaren lust om daar iets van te weten te komen. Hij zag, dat de boschwachter den koppel niet zoo heel stijf vasthield, deed een vluggen sprong opzij, en kwam werkelijk los. Toen rende hij met zulk een vaart het bosch in, naar het moeras toe, dat de boschwachter geen tijd had het geweer aan te leggen, voordat hij verdwenen was.

De boschwachter kon niet anders doen dan hem naloopen, en toen hij bij het moeras kwam, zag hij, dat de hond op een kluitje grond, een paar meter van het land, uit alle macht stond te huilen. De man vond, dat hij onderzoeken moest, wat dit te beduiden kon hebben; hij zette het geweer weg, en kroop op handen en voeten het moeras op. Hij was nog niet ver gekomen, toen hij een wijfjeseland dood in de modder zag liggen. Dich naast haar lag een kalfje. Het leefde nog, maar was zóó zwak, dat het zich niet verroeren kon. Karr stond naast het kalfje. Nu eens boog hij zich neer, en likte het, dan weer huilde hij luid, alsof hij om hulp riep.

Toen nam de boschwachter het dier op, en begon het naar land te sleepen. Toen de hond begreep, dat het gered zou worden, was hij buiten zichzelf van blijdschap. Hij sprong om den boschwachter heen, likte hem de handen, en blafte van vreugd.

De boschwachter droeg het kalfje naar huis, en sloot het in een hokje in de schuur. Toen moest hij hulp halen, om de doode eland uit het moeras te slepen, en eerst toen dit gedaan was, herinnerde hij zich, dat hij Karr moest doodschieten. Hij lokte den hond, die hem al dien tijd was nageloopen, en ging opnieuw met hem het bosch in.

Eerst liep de boschwachter regelrecht naar het hondengraf; maar onderweg scheen hij op andere gedachten te komen, want op eens keerde hij om, en ging naar het landgoed terug.

Karr had hem heel rustig gevolgd, maar toen hij merkte, dat de boschwachter naar zijn vroeger tehuis terugging, werd hij onrustig. De boschwachter had zeker begrepen, dat hij de eland om het leven had gebracht, en nu moest hij naar huis terug, om gestraft te worden, vóór hij zou sterven.

Maar slaag te krijgen was het allerergste, en met dat vooruitzicht zag Karr geen kans moed te houden. Hij liet den kop hangen, en toen hij op het landgoed kwam, zag hij niet op, en deed alsof hij niemand kende.