Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/205

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

De fabrikant stond op de stoep, toen de boschwachter er aan kwam.

"Wat in de wereld is dat voor een hond, waar de boschwachter meê aankomt?" zei hij. "Dat kan toch Karr niet zijn? Hij is toch al lang dood."

Toen begon de boschwachter te vertellen van de elanden, en Karr maakte zich zoo klein, als hij maar kon, en kroop achter de beenen van den boschwachter weg om zich te verstoppen.

Maar de boschwachter sprak over het gebeurde op een heel andere manier, dan de hond verwachtte. Hij prees Karr. Hij zei, dat het duidelijk was, dat de hond wist, dat de elanden in nood verkeerden, en hen had willen redden.

"Meneer, mag doen wat hij wil, maar dien hond kan ik niet doodschieten," zei hij eindelijk.

De hond richtte zich op, en spitste de ooren. Hij kon bijna niet gelooven, dat hij goed gehoord had. Hoewel hij niet graag toonen wou, hoe bang hij was geweest, kon hij niet laten een beetje te blaffen. Zou het mogelijk zijn, dat hij mocht blijven leven, omdat hij ongerust over de elanden was geweest?

De fabrikant vond ook, dat Karr zich goed had gedragen, maar omdat hij in geen geval den hond terugnemen wou, wist hij eerst niet, wat hij doen moest.

"Als u hem wilt nemen, en er voor instaan, dat hij zich beter gedraagt, dan tot nu toe, mag hij wel blijven leven," zei hij eindelijk.

Ja, dat wilde de boschwachter wel. En zoo kwam Karr in de boschwachterswoning.



DE VLUCHT VAN GRAUWVEL.

Van den dag af, dat Karr bij den boschwachter kwam, hield hij geheel op met zijn ongeoorloofde jacht in het bosch. Dat was niet alleen, omdat hij bang geworden was, maar ook omdat hij niet wilde, dat de boschwachter boos op hem zou worden. Want sinds hij zijn leven had gered, hield Karr het allermeeste op de wereld van den boschwachter. Hij dacht er alleen aan hem te volgen, en over hem te waken. Als hij van huis ging, sprong Karr vooruit, en onderzocht den weg, en als hij thuis was, lag Karr buiten voor de deur, en hield toezicht over allen, die binnenkwamen en weggingen.

Als het kalm was op de plaats van den boschwachter, als er geen voetstappen klonken op den weg, en de baas met zijn planten bezig was in den groentetuin, gebruikte Karr gewoonlijk zijn tijd om met het elandkalfje te spelen.

Eerst had Karr heelemaal geen lust gehad zich met hem te