Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/206

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

bemoeien. Maar doordat hij overal met zijn baas meêliep, kwam hij ook met hem in de schuur, als hij het kalfje melk gaf, en bleef meestal buiten het hok naar hem zitten kijken. De boschwachter noemde het dier Grauwvel, omdat hij niet vond, dat het een mooieren naam verdiende, en Karr was dat met hem eens. Telkens als hij het zag, vond hij, dat hij nooit zooiets leelijks en wanstaltigs had gezien. Het had lange dunne beenen, die als losse stelten onder het lichaam zaten. De kop was groot, oudachtig en gerimpeld, en hing altijd opzij. Het vel zat in plooien, en hing slap, alsof het een pels aanhad, die niet voor hem was gemaakt. Hij zag er altijd bedroefd en mismoedig uit, maar, vreemd genoeg, het stond altijd haastig op, zoodra het Karr buiten het hok zag, alsof het er blij om was, dat hij kwam.

Het kalf werd iederen dag erger; het groeide niet, en kon op het laatst niet eens meer opstaan, als het Karr zag. Toen sprong de hond in zijn hok, en toen schitterden de oogen van den stumper even, alsof een groote wensch van hem was vervuld.

Van dien tijd af kwam Karr iederen dag bij het elandkalf, en bracht uren bij hem door, likte zijn pels, en stoeide met hem, en onderwees hem zoo'n beetje in alles, wat een boschdier noodig heeft te weten.

't Was merkwaardig: van den dag af, dat Karr in het hok bij het elandkalf gesprongen was, begon het dier te tieren en te groeien. En toen het eenmaal aan het groeien was, werd het in een paar weken zoo groot, dat het niet meer in het kleine hokje kon blijven, maar buiten in een omheining moest worden gezet. Toen het daar een paar maanden had geloopen, waren zijn beenen zoo lang geworden, dat het over de omheining kon stappen als het dat wilde. Toen kreeg de boschwachter verlof van den fabrikant een hooge, groote omheining te zetten om het stuk land, waar het liep. Daar leefde de jonge eland verschiedene jaren, en werd een sterk en statig dier. Karr hield hem gezelschap zoo vaak hij kon; nu niet meer uit medelijden, maar omdat er tusschen hen een groote vriendschap was ontstaan. De eland was altijd treurig, en scheen traag en weinig ondernemend te zijn, maar Karr verstond de kunst hem blij te maken en aan het spelen te krijgen.

Grauwvel had vijf zomers op de plaats van den boschwachter geleefd, toen de fabrikant een brief van een zoölogischen tuin in het buitenland kreeg, met de vraag, of hij den eland wilde verkoopen. Hij vond het voorstel goed. De boschwachter werd bedroefd, maar hij kon er niets aan doen, en er werd besloten, dat de eland zou worden verkocht. Karr hoorde al gauw, wat er gaande was, en liep naar den eland om hem te vertellen, dat de bedoeling was hem weg te zenden. De hond was in den