"Hier zoeken je stamgenooten gewoonlijk beschutting voor de kou en den storm," zei Karr. "Hier staan zij onder den blooten hemel, den heelen winter. Jij zult het beter krijgen, waar je nu komt. Je krijgt een dak boven je hoofd, en moogt in den stal staan, als een os."
Grauwvel antwoordde niet, maar stond stil, en ademde den sterken dennengeur in.
Toen ging Karr met hem naar een groot moeras, en wees hem de grasboschjes op den weeken grond.
"Over dit moeras vluchten de elanden gewoonlijk, als ze in gevaar zijn," zei Karr. "Ik weet niet hoe zij 't aanleggen, maar zoo groot en zwaar als ze zijn, kunnen zij hier loopen zonder er in te zakken. Jij zoudt zeker niet over zulk een gevaarlijk veld kunnen komen, maar dat hoef je ook niet, want nooit zal een jager je vervolgen."
Grauwvel antwoordde niet, maar met één grooten sprong was hij op 't moeras. Hij was blij, toen hij voelde, hoe de grasboschjes onder hem op en neer gingen, hij draafde voort dwars over het moeras, en kwam bij Karr terug, zonder ergens in een modderpoel te zijn gezonken.
"Hebben wij nu het heele bosch gezien?" vroeg hij.
"Neen, nog niet," antwoordde Karr.
Hij bracht nu den eland naar den zoom van het bosch, waar statige loofboomen groeiden: eiken, en abeelen, en linden.
Hier eten je stamgenooten gewoonlijk loof en bast" zei Karr.
"Zij houden dat voor het beste voedsel, maar je zult wel beter voedsel krijgen in het buitenland."
Grauwvel was verbaasd over de geweldige loofboomen, die hun groene koepels boven zijn hoofd welfden. Hij proefde van het elkenloof en de abeelenbast.
"Dat smaakt sterk en goed," zei hij. "Dat is beter dan klaver."
"'t Was goed, dat je dat nog eens te eten kreeg," zei de hond.
Toen nam hij den eland meê naar een klein boschmeertje. Dat lag daar heel stil en blank, en weerspiegelde het strand, dat in dunne, lichte nevels gehuld lag. Toen Grauwvel dat zag, bleef hij onbewegelijk staan.
"Wat is dat, Karr?" vroeg hij. 't Was voor 't eerst dat hij een meer zag.
"Dat is een groot water, dat is een meer," zei Karr. "Je familie zwemt gewoonlijk van het eene strand naar het andere. Niemand kan verlangen, dat jij dat kunnen zult, maar je moest ten minste naar beneden gaan om een bad te nemen."
Karr ging zelf in het water, en begon te zwemmen. Grauwvel bleef een heele poos op het land. Eindelijk kwam hij ook. Zijn adem stokte van welbehagen, toen het water zich zacht en koel