zwijgend, maar Kroonhoorn brieschte en snoof. De oude eland werd nu op zijn beurt over het heele veld teruggedrongen. Op eens hoorde Karr en sterk gekraak. Een tak van de horens van den ouden eland was gebarsten. Toen rukte hij zich heftig los van Grauwvel, en sprong het bosch in.
Karr stond nog aan den zoom van 't bosch, toen Grauwvel terugkwam.
"Nu heb je gezien, wat er in het bosch was," zei hij. "Wil je nu meê terug naar huis gaan?"
"Ja, nu zal het wel tijd zijn," zei de eland.
Beiden waren stil op den terugweg. Karr zuchtte meermalen, alsof hem iets tegengevallen was, maar Grauwvel liep met opgeheven hoofd, en scheen van zijn avontuur genoten te hebben. Hij liep voort zonder de minste aarzeling, tot ze bij de ingeheinde plaats kwamen, waar hij tot nu toe geweest was. Maar toen bleef hij staan. Hij keek rond over de kleine ruimte, waar hij altijd geleefd had, zag den vastgetrapten grond, het verwelkte voer, het kleine bakje, waaruit hij water had gedronken, en de donkere schuur, waar hij had geslapen.
"De elanden zijn één met het bosch!" riep hij, wierp den kop achteruit, zoodat de nek op zijn rug lag, en stormde in wilde vaart het bosch in.
HELPMIJ.
Diep in 't groote Friedsbosch vertoonden zich elk jaar in Augustus in 't lage dennenbosch een paar grijswitte nachtvlinders van dat soort, dat men "Nonvlinders" noemt. Ze waren klein, en er waren maar weinige, en er was bijna niemand, die op hen lette. Als ze diep in 't bosch een paar nachten hadden rondgefladderd, legden ze een paar duizend eieren op de boomstammen, en kort daarna zonken ze levenloos op den grond.
Als de lente kwam, kropen kleine, gespikkelde larven uit de eieren, en begonnen denneschors te eten. Zij hadden goeden eetlust, maar deden nooit de boomen ernstige schade, omdat ze zoo sterk door de vogels werden vervolgd. Zelden ontkwamen er meer dan een paar honderd larven.
Die arme larven, die volwassen werden, kropen naar boven langs de takken, sponnen zich in witte draden in, en zaten zoo een paar weken als onbewegelijke poppen. In dien tijd werd gewoonlijk meer dan de helft van hen weggepikt. Als er een honderdtal vleugels kreeg en klaar kwam in Augustus kon men rekenen, dat ze een goed jaar hadden.