Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/211

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Zulk een onzeker en onopgemerkt leven leidden de nonnen jarenlang in het Friedsbosch. Er was geen insectenvolk in de gansche streek, dat zoo weinig in aantal was. En zoo machteloos en weinig gevaarlijk zouden ze gebleven zijn, als ze niet heel onverwacht een helper hadden gekregen.

Maar dat de nonnen een helper kregen, kwam door dat de eland uit de boschwachterswoning was gevlucht. Grauwvel had namelijk den heelen dag na zijn vlucht in 't bosch rondgeloopen om te maken, dat hij er zich thuis zou gaan voelen.

In den middag drong hij door een dicht kreupelhout, en vond daarachter een open plaats, waar de grond modderig, los en moerassig was. Midden in lag een zwarte waterpoel, en daaromheen stonden allemaal hooge dennen, die bijna zonder naalden waren, omdat ze oud waren, en doordat ze niet tieren konden. Grauwvel vond die plaats akelig, en zou die gauw hebben verlaten, als hij niet een paar heldergroene callabladen in 't oog had gekregen, die bij den poel groeiden.

Toen hij nu den kop over de callaplant boog, maakte hij een groote, zwarte slang wakker, die er onder lag te slapen. De eland had Karr hooren spreken over de vergiftigde adders in het bosch, en toen de slang den kop ophief, zijn gespleten tong uitstak, en tegen hem siste, meende hij, dat hij een vreeselijk gevaarlijk dier had ontmoet. Hij schrikte, hief den voet op, sloeg met zijn hoef en verbrijzelde den kop van de slang. Daarop draafde hij haastig weg.

Zoodra Grauwvel weg was, dook een andere slang, even lang en zwart als de eerste, op uit den poel. Hij kroop naar de doode, en liet zijn tong over de verbrijzelden kop gaan.

"Is dat werkelijk mogelijk, dat je dood ben, oude Karnlösa?" siste de slang. "Wij hebben zooveel jaren samen geleefd! Wij hebben het zoo goed samen gehad, en we tierden zoo goed in dezen plas, dat we ouder zijn geworden dan alle andere slangen in het bosch. Dat was het ergste verdriet, dat me treffen kon."

De slang was zoo bedroefd, dat zijn lang lichaam kronkelde, alsof het gewond was. Zelfs de kikvorschen, die in een voortdurenden angst voor hem leefde, hadden medelijden met hem.

"Wat moet hij toch slecht zijn, die een arme slang doodslaat, die zich niet kan verweren!" siste de slang, "hij verdient zeker een heel harde straf." Hij lag nog een tijd lang te kronkelen van verdriet, maar op eens hief hij den kop op. "Ik zal me wreken, zoowaar ik Helpmij heet, en de oudste slang in 't bosch ben! Ik zal niet rusten voor die eland dood op 't veld ligt, zooals mijn arme oude gezellin!"

Toen de slang die gelofte had gedaan, rolde hij zich op, en ging liggen nadenken. Maar er kan wel niets moeilijker zijn voor een arme slang, dan wraak te bedenken op een grooten,