krachtigen eland, en de oude Helpmij peinsde dagen en nachten, zonder een uitweg te vinden.
Maar op een nacht, toen de slang in zijn wraakgedachten verdiept lag, en niet kon slapen, hoorde hij een licht geritsel boven zijn hoofd. Hij keek op, en onderscheidde een paar lichte nonvlindertjes, die tusschen de boomen speelden. Hij volgde ze lang met de oogen, toen begon hij luid in zichzelf te sissen, maar eindelijk sliep hij in, en scheen tevreden te zijn met wat hij had bedacht.
Den volgenden morgen ging de slang naar Krule, de adder, die in een steenachtige en hooggelegen streek van 't Friedsbosch woonde. Aan hem vertelde hij nu van den dood van zijn oude gezellin, en vroeg hem, die zoo gevaarlijk bijten kon, de wraak op zich te nemen. Maar Krule was niet erg geneigd zich aan een strijd met de elanden te wagen.
"Als ik een eland aanviel," zei hij, "zou hij me dadelijk dooslaan."
Je oude vrouwtje is dood, en haar kunnen we niet meer levend maken. Waarom zou ik me voor haar een ongeluk op den hals halen?"
Toen de slang dit antwoord kreeg, hief hij den kop wel een voet hoog van het veld op, en siste allerverschrikkelijkst.
"Wisch, wasch! wisch wasch!" zei hij. "'t Is jammer, dat jij zulke wapens hebt, jij, die zoo laf ben, dat je ze niet gebruiken durft."
Toen de adder dat hoorde, werd hij ook boos.
"Maak, dat je weg komt, ouwe Helpmij!" siste hij. "'t Vergif loopt me langs de tanden, maar ik wil iemand, die mijn stamgenoot heet, liefst sparen."
De slang verroerde zich niet, en lang lagen ze daar allebei elkander hatelijkheden te zeggen. Maar toen Krule zóó boos werd, dat hij niet meer sissen kon, en alleen nog maar zijn tong inhaalde en uitstak, begon de slang gauw op een heel anderen toon te praten.
"Ik had eigenlijk nog een boodschap," zei hij, en bogen zacht te fluisteren; "maar nu heb ik je zeker zoo boos gemaakt, dat je me niet helpen wilt."
"Als je me maar niet iets onzinnigs vraagt, wil ik je wel van dienst zijn."
"In de dennen dicht bij mijn poel," zei de slang, "woont een vlindervolk, dat in den nazomer 's nachts rondvliegt."
"Ik weet wel wie je meent," zei Krule, "wat wou je met hen?"
"'t Is het kleinste insectenvollk in het bosch," zei Helpmij, "en de onschadelijkste van allen, omdat de larven zich met het eten van dennebast tevreden stellen."
"Ja, dat weet ik," zei Krule.
"Ik ben zoo bang, dat dit vlindervolk gauw heelemaal zal zijn