Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/214

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

XXII.

DE NONNEN.



Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de stoep. 't Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten, en 't was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.

"Ben jij dat, Grauwvel?" vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord, maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het geluid af.

Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het 't dichtste was, zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het spoor niet te verliezen.

"Karr, Karr," hoorde hij roepen, en 't was de stem van Grauwvel, maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.

"Ik kom, ik kom! Waar ben je?" antwoordde de hond.

"Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt!" vroeg Grauwvel.

Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een dichte regen.

"Ja, dat zie ik!" riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den eland te zoeken.

Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr was opnieuw bijna het spoor bijster.

"Karr, Karr!" schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, "merk je niet, hoe het ruikt in 't bosch?" Karr bleef staan, en snoof. Hij had er eerst niet op gelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur verspreidden, dan ze anders deden.

"Ja, ik merk, hoe het ruikt," zei hij, maar gaf zich niet den