tijd om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door. Grauwvel achterna.
De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet kon inhalen. "Karr, Karr!" riep hij een poos later, "hoer je niet hoe het knapt in de takken." Nu klonk de stem zóó droevig, dat die steenen zou kunnen vermurwen. Karr bleef staan om te luisteren, en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het klonk als het tikken van een horloge.
"Ja, ik hoor het knappen," riep Karr, en ging nu niet verder. Hij begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.
Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove, donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam, ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in dien boom; dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur zóó sterk, dat de hond er last van had.
"Die den daar zal niet veel naalden behouden," dacht hij, en keerde zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den, maar die zag er ook zoo uit. "Wat kan dat wezen?" dacht Karr. "Dat is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid hebben verloren."
Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde erachter te komen, hoe 't met hen was. "Dat daar is een spar, die hebben ze misschien niet aangedurfd," dacht hij. Maar ze hadden ook de spar aangetast. "En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den boschwachter wel niet aanstaan," dacht Karr.
Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken, rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde niet meer stil te staan om te zien. De kleine larven waren overal. 't Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.
Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en ales doodstil was.
"Hier is hun rijk uit," dacht de hond, bleef staan, en keek rond.
Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al voltooid en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en het eenige wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen te gebruiken.
Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karr