Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/216

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

te wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden, de aanzienlijkste in 't bosch. Karr kende hen. 't Waren Kromrug, een kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn, de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in den herfst een kogel in de dij gekregen had.

"Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?" vroeg Karr, toen hij bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.

"Dat kan niemand zeggen," antwoordde Grauwvel. "Dit insectenvolk hier is het meest machtelooze in 't heele bosch geweest, en heeft vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele bosch zullen vernielen."

"Ja, het ziet er leelijk uit," zei Karr, "maar ik merk, dat de wijzen uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er misschien iets op gevonden."

Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op, klapte met de lange ooren, en zei: "We hebben je hier geroepen, Karr, om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting."

"Neen," zei Karr, "zoover in 't bosch komt immers geen mensch, wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk."

"Wij, die in 't bosch oud geworden zijn," zei toen Kroonhoorn, "gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk kunnen verweren."

"Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere," zei Ruigmaan. "Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit."

"Maar, we kunnen het heele bosch niet laten bederven," zei Grootsterk. "We hebben geen keus."

Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.

"Is 't misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten, hoe het hier gaat?"

Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.

"'t Is een groot ongeluk hulp van de menschen te moeten vragen, maar we weten geen anderen raad."

Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voorthep, diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem een groote, zwarte slang tegemoet.