om te luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden, die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.
DE GROOTE NONNENPLAAG.
Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. "Karr, Karr!" riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed gehoord. 't Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.
"Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!" zei de vos.
"Ja, wees daar maar zeker van," zei Karr. "Zij werken er voor, zoo hard zij kunnen."
"Ze hebben mijn heele familie vermoord," zei de vos. "En zij zullen mij ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden, als zij het bosch maar helpen."
Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. 't Was niet zoo gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.
Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden[1] was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang te redden. Zij velden de boomen, die 't meest beschadigd waren, kapten het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze lijmringen aan te leggen om de boomen. 't Was de bedoeling, dat men op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren, en daar dood te hongeren.
Den menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af,
- ↑ Berg- en boschstreek in Oost-Gothland, Södermanland en Nerlke.