Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/219

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

dat de larven uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.

Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel waren er larven die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren massa's, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten van Kolmarden.

"Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn," zeiden de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het bosch komen zonder tranen in de oogen te krijven.

Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit ((SIC|de|te}} gaan. Maar op een dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.

"Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?" vroeg de slang.

Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.

"Doe dat in ieder geval," zei de slang. "Je ziet immers wel, dat de menschen geen raad weten voor deze verwoesting."

"Ja, jij ook niet," antwoordde Karr, en liep verder.

Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij nauwelijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten."Ik weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield," zei hij.

"Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt," zei Karr, en bracht nu de boodschap van de slang over.

"Als 't iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik dadelijk in ballingschap gaan," zei de eland. "Maar hoe zou nu een arme slang zoo'n macht hebben?"

"'t Is natuurlijk maar pocherij," zei Karr. "Slangen doen altijd, alsof ze meer weten dan andere dieren."

Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen: "Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield."