Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/221

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"Heb ik een slang doodgeslagen?" vroeg Grauwvel.

"De eerste dag, toen je in 't bosch kwam, sloeg je de vrouw van de slang. Helpmij, dood." zei Krule.

Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens stond hij stil:

"Karr ik heb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest."

"Wat zeg je toch?" viel Karr hem in de rede.

"Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in ballingschap gaat."

"Dat zeg ik nooit," zei Karr. "'t Is een gevaarlijk land voor elanden, daar in 't noorden."

"Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo'n ongeluk heb aangericht?" vroeg Grauwvel.

"Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet."

"Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch," zei Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.

Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord had gehouden, en in ballingschap was gegaan.

Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet wegpraten. Hij had nooit van zoo'n dwaasheid gehoord. Wat kon die Helpmij nu voor macht hebben?

Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den boschwachter die naar boven stond te wijzen bij een boom.

"Waar kijk je naar?" vroeg een man, die naast hem stond.

"Er is een ziekte onder de larven uitgebroken," zei de boschwachter.

Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want die slang zou wel nooit sterven.

Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in, die hem een beetje troostte.

"De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden," dacht hij. "Hij zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal."

Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken, of de larven hadden zich verpopt. Uit de