verloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.
De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond, en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van 't bosch.
"Neen, dan heb ik de vlakte en de zee liever," dacht hij. "Dar kun je zien, waar je op afgaat. Als 't nog een beukenbosch was, kon 't er nog door, want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen, die zoo woest en ongebaand zijn — — ik begrijp niet, hoe de menschen het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken."
Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in 't oog, en stond dat juist om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen zag dadelijk, dat hij een witte plek op iedere wang had, en bleef rustig staan. "Dat is maar een slang," dacht hij. "Die kan mij toch niets doen."
Maar 't volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo'n sterken stoot voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been, en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem dicht op de hielen.
Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile kanten, en hij klauterde er op.
"Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen," dacht hij, maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij, dat de slang probeerde achter hem aan te komen.
Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen, bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal los op een smallen kant. 't Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden, vlak op de slang, trok hem meê, naar den grond, en bleef op den slangenkop liggen.
"Die heeft zijn werk netjes gedaan," dacht de jongen, en haalde diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken, stil bleef liggen.
"Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar ben geweest."
Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast de slang, zag neerstrijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een metaalachtigen glans er over.