"Ik dank je wel," zei hij. "'t Is alsof ik het bosch beter begrijp, nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog iets van het groote Friedsbosch over is."
"'t Meeste is al verwoest," zei Bataki. "De boomen zien er uit, alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is."
"Die slang daar heeft zijn dood verdiend," zei de jongen. "Maar hoe wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?"
"Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden," zei Bataki.
"Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder geval een heel verstandig dier was."
De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop afgewend te luisteren naar iets anders.
"Hoor," zei hij. "Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn, als hij hoort, dat Helpmij dood is."
De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.
"Hij spreekt met de wilde ganzen," zei hij. "Ja, hij heeft zich zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel te hooren."
De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.
"Daar heb je Karr," zei Bataki tegen de jongen.
"Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is."
Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:
"'t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden," zei de gans. "We waren uitgevlogen: Yksi. Kaksi en ik, in den morgen, van Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen, de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak, en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die 's winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.
Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen, messen in den gordel, maar geen geweren.