Er was een hard bevroren korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden, maar liepen rechtuit.
Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten om te vinden, wat ze zochten.
Wij, de wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden 't heele bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.
We daalden snel naar beneden, en streken midden in 't kreupelhout neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. 't Waren drie elanden, die daar in 't donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.
De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. 't Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren, die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.
"Neen, vadertje, ga niet liggen slapen," zei ik toen tegen hem.
"Vlucht zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in 't bosch, en ze komen recht op dit elandleger aan."
"Dank je wel, ganzenmoedertje," zei de eland, en het was, alsof hij weer insliep onder 't praten, "maar je weet wel, dat wij, elanden, hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers zijn zeker op vosschenjacht."
"Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat ze geen schot in 't bosch durven te lossen in dezen tijd van 't jaar."
De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig. "'t Is misschien waar, wat de ganzen, zeggen," zeiden ze, en begonnen op te staan.
"Blijf jelui maar stil liggen," zei de stier. "Er komen hier geen jagers in 't kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn."
Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met de elanden zou gaan.
Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen, dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daar