liep hij heen, en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.
Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom van 't bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant, dan vanwaar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.
De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dt die in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze weer in 't gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen, dat het zijn bedoeling was de jagers weg te lokken van de plaats, waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in 't gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen heengaan, voor we hadden gezien hoe dit afliep.
De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het tegen zulk een draver als hij konden volhouden.
Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in 't begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze optrok, zagen we bloed in het spoor.
Toen begrepen we, waarom de jagers volhielden. Ze rekenden op de hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst dar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af, en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de pooten neerzette.
De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en struikelend. Hij blies heftig. 't Was niet genoeg, dat hij zooveel pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.
Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl we boven hem zweefden, riep hij: "Blijf nu hier, wilde ganzen! tot alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr, den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend. Grauwvel, een goeden dood is gestorven!"
Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee stappen naar haar toe. "Grauwvel heeft een goed