XXIII.
IN NÄRKE.
In Närke was er vroeger iets, wat ze nergens anders hadden, en dat was een heks, die Ysätters-Kajsa heette.
Den naam Kajsa had ze gekregen, omdat ze veel met storm en wind te maken had, en omdat zulke windheksen altijd zoo genoemd worden, en den bijnaam, omdat ze van de Ysätterpoel in Asker gekomen was.
Men meent wel, dat ze eigenlijk haar thuis in Asker had, maar ze vertoonde zich gewoonlijk ook op andere plaatsen. Nergens in heel Närka kon men zeker wezen haar niet tegen te komen.
Ze was geen akelige sombere heks, maar vroolijk en uitgelaten, en waar ze 't allermeest van hield, was een flinke storm. Zoodra het maar hard genoeg waaide, trok ze uit om te dansen op de Närke-vlakte.
Närke bestaat eigenlijk alleen uit een vlakte, door met bosch begroeide bergen omgeven. Alleen in den noordoostelijken hoek, waar de Hjälmar uit het landschap komt, is er een gat in de lange bergenheining.
Als nu op een morgen de wind kracht heeft opgedaan op de Oostzee, en 't land invliegt, gaat hij zonder tegenstand tusschen de Störmanlandsheuvels door, en komt zonder veel moeite in Närke door de Hjälmaropening. Dan rent hij voort over de vlakte, maar vlak in 't westen bonst hij tegen den hoogen wand van den Klisberg aan, en wordt teruggeworpen. Dan kronkelt de wind als een slang om, en schuift naar het zuiden. Maar daar staat weer een andere berg, en geeft he, een stoot, zoodat hij naar 't oosten vliegt. En daar is er weer een, die hem naar 't noorden stuurt. En zoo gaat het voort. De wind vliegt rond in al kleiner en kleiner kringen, en blijft eindelijk midden op de vlakte staan ronddraaien als een tol. Maar op zulke dagen, als de wervelwinden over de vlakte vlogen, had Yrsätters-Kajsa plezier. Dan stond