ze midden in den wervelwind rond te tollen. Haar lange haren vlogen in 't rond op de wolken van den hemel, haar sleep zwierde over den grond als een stofwolk, en de heele vlakte lag onder haar als één groote dansvloer.
's Morgens zat Yrsätters-Kajsa gewoonlijk boven in een of andere hooge spar, op den top van een rotsige berghelling, uit te kijken over de vlakte. Als het dan winter was, en de wegen begaanbaar waren, en ze zag veel wagens rijden, dan ging ze gauw een sneeuwstorm aanblazen, en torende de sneeuwhoopen zóó hoog op, dat de menschen maar met moeite 's avonds konden thuiskomen. Als het zomer was en goed oogstweer, zat Ysätters-Kajsa stil, tot de eerste hooiwagens opgeladen waren, en dan kwamen ze aanvliegen met een paar stortbuien, die voor dien dag een eind aan het werk maakten.
't Was vast en zeker, dat ze maar zelden aan iets anders dacht, dan aan kattekwaad doen. De kolenbranders boven op de Klisbergen durfden nauwlijks een dutje doen, want zoodra ze een onbewaakte kolenmijn zag, sloop ze erheen, en blies die aan, zoodat ze met hooge vlammen ging branden. En als de ertsrijders van de Laxå en de Svartå 's avonds laat uit waren, hulde Ysätters-Kajsa de wegen en sporen in zulk een dichten mist, dat de menschen en paarden in de war kwamen, en de zware sleden in poelen en moerassen reden.
Als de vrouw van den proost in Glanshammar op een zomerschen zondag de koffietafel in den tuin had gedekt, en er kwam een windvlaag, die het tafelkleed optilde, en koppen en schalen omgooide, dan wist men wel, wie er weer aan 't grappen maken was. Als de hoed den burgemeester in Örebro van 't hoofd geblazen werd, zoodat hij hem over de heele markt moest naloopen, als de menschen van Vinön met hun groenteschuiten in den Hjälmar op den grond liepen, als het te drogen gehangen waschgoed wegvloog, of onder de stof kwam, als de rook 's avonds de kamer insloeg, en de schoorsteen maar niet uit kon komen, dan was 't niet moeilijk te raden, wie daar buiten aan 't pret maken was.
Maar hoewel Ysätters-Kajsa veel hield van allerlei ergerlijke plagerijen, was er toch eigenlijk niets slechts in haar. Men kon wel merken, dat ze 't meeste kwaad deed bij menschen, die kibbelachtig en gierig en boosaardig waren; maar betrouwbare menschen en kleine, arme kinderen nam ze dikwijls in bescherming. En oude menschen vertellen, dat eens, toen de kerk van Asker in brand stond. Yrsätter-Kajsa kwam aanvliegen, door rook en vuur heen op het dak van de kerk neerstreek, en 't gevaar afweerde.
In ieder geval waren de bewoners van Närke Ysätter-Kajsa