"Heb je over mij hooren spreken?" vroeg de jongen verbaasd.
"Ik heb mijn ooren wel, al ben ik oud. Er wordt tegenwoordig veel over je gesproken."
Hij had den kop onder het spreken neergebogen, om beter te kunnen zien, en de jongen merkte op, dat hij een kleinen kop met mooie oogen en een zachten fijnen neus had.
"Dat is zeker van huis uit een goed paard geweest, al is hij er nu, op zijn ouden dag, akelig aan toe." dacht hij.
"Ik wou, dat je met me meê wou gaan en me helpen," zei het paard. De jongen vond het moeilijk met iemand meê te gaan, die er zoo ellendig uitzag, en verontschuldigde zich om het slechte weer.
"Je hebt het hier niet beter, dan wanneer je op mijn rug zit." zei het paard. "Maar je durft misschien niet met zoo'n schooier van een knol meê, als ik ben."
"O ja, dat durf ik wel." zei de jongen.
"Maak dan de ganzen wakker, zoodat we kunnen afspreken, waar ze je morgen zullen komen halen." zei het paard.
Kort daarop zat de jongen op zijn rug. Het oude dier draafde weg, beter dan de jongen van hem verwacht had. Toch werd het een lange tocht door den nacht en den storm, vóór ze stilhielden bij een groote herberg. Daar zag het er vreeselijk ongezellig uit. In den weg waren zulke diepe sporen ingereden, dat de jongen dacht, dat hij verdrinken zou, als hij daarin viel. Aan het hek, dat rond om de plaats liep, waren een dertig, veertig stuks paarden en rundvee gebonden, zonder eenige beschutting voor den regen, en in 't midden van de plaats stonden karren met hooge hokken, waarin schapen en kalveren, varkens en hoenders opgesloten zaten. 't Paard ging naar het hek, en bleef daar staan. De jongen zat op zijn rug en met de scherpe oogen, die hij had, zag hij duidelijk, hoe zwaar de dieren het hadden.
"Hoe komt het, dat jelui hier buiten in den regen staan?" vroeg hij.
"Wij zijn op weg naar de markt te Örebro, maar we moesten hier binnengaan om den regen. Dit is een herberg, maar er zijn zooveel reizigers gekomen, dat wij geen plaats in het huis kunnen krijgen."
De jongen antwoordde niet, maar zat stil rond te kijken. Er waren niet veel dieren, die sliepen. Van alle kanten kwamen klachten en teekenen van misnoegen. Ze hadden alle reden om te jammeren, want het weer was nog erger geworden dan op den dag. Er was een ijskoude wind op komen zetten, en de regen, die nu scherp en door den wind voortgezweept neerviel, was met sneeuw vermengd. 't Was niet moeilijk te begrijpen, wat het paard wilde, dat de jongen voor hem doen zou.