"Zie je die prachtige hoeve wel, vlak over de herberg?" vroeg het paard.
"Ja," zei de jongen, "die zie ik wel, en ik begrijp niet, dat ze niet gevraagd hebben, jelui daar binnen te mogen brengen. Of is het daar misschien ook al vol?"
"Neen, daar zijn geen gasten," zei het paard. "Zij, die daar wonen zijn zoo gierig en weinig behulpzaam, dat het niemand iets helpt als ze daar om huisvesting vragen."
"O! is het daar zoo gesteld? Dan moet jelui wel blijven, waar je bent."
"Maar ik ben juist daar geboren en opgevoed," zei het paard.
"Ik weet, dat daar een groote paardenstal is, en een groote veestal met veel leege hokken en vakken, en ik dacht, dat je misschien zou kunnen maken, dat we daar binnen kwamen."
"Ik geloof niet, dat ik dat durf," zei de jongen. Maar toen had hij toch zoo'n medelijden met de dieren, dat hij het ten minste wilde probeeren.
Hij liep de vreemde boerderij op, en zag dadelijk, dat alle bijgebouwen gesloten waren, en alle sleutels er uit genomen. Hij stond daar radeloos en hulpeloos, mar hij kreeg hulp van een kant, vanwaar hij die niet verwacht had. 't Was een windvlaag, die kwam aanzetten in woedende vaart, en de deur van een groote schuur vlak voor hem opengooide.
De jongen liep natuurlijk gauw naar het paard terug.
"'t Is niet mogelijk in de stallen te komen," zei hij, "maar er is een groote, leege hooischuur, die ze vergeten hebben te sluiten, en daar kan ik jelui in brengen."
"Ja, graag," zei het paard. "'t Zal prettig zijn nog eens op de oude plaats te mogen slapen. Dat is het eenige genoegen, dat ik nog van 't leven verwachten kan."
In die rijke boerenhoeven, die over de herberg lag, waren ze intusschen dien avond veel langer opgebleven dan gewoonlijk.
De huisvader daar was een man van vijf en dertig jaar. Hij was lang, en zag er waardig uit, met een mooi, maar heel somber gezicht. Hij was dien dag in den regen uit geweest, en was nat geworden, als alle andere menschen, en bij het avondeten had hij zijn oude moeder, die nog huismoeder op de hoeve was, verzocht of zij vuur op den haard wilde aanmaken, zoodat hij zijn kleeren kon drogen. De moeder had daarop een klein, flauw vuurtje aangemaakt, want daar in huis waren ze niet gewend royaal met brandhout om te gaan, en de boer had zijn jas over een stoel voor het vuur gehangen. Toen had hij zijn voet op den haardsteen gezet, en den arm op de knie geleund, en zoo was hij in 't vuur blijven staan kijken. Hij had zoo een paar uur gestaan zonder een beweging te maken, dan alleen om nu en