dan een stuk brandhout op den haard te gooien. De moeder had het avondeten afgenomen, en zijn bed opgemaakt, en toen was zij in de kleine kamer gaan zitten. Nu en dan kwam zij aan de deur staan, en keek verwonderd naar haar zoon, die daar bij 't vuur stond, en niet naar bed ging.
"'t Is niets, Moeder. Ik denk maar aan vroeger," zei hij.
De zaak was, dat, toen hij daar juist voorbij de herberg kam, een paardenkooper naar hem toe gekomen was, en hem had gevraagd, of hij een paard wilde koopen. Hij had hem toen een oud beest laten zien, dat er zoo ongelukkig uitzag, dat hij den man vroeg, of hij dwaas was, dat hij hem zulk uitschot wilde verkoopen.
"Och neen, maar ik dacht dat je, omdat je het paard vroeger gehad hebt, het misschien een rustigen, ouden dag zoudt willen bezorgen, want dien heeft het wel noodig," had de paardenkooper geantwoord.
Toen had hij 't paard bekeken en het herkend. 't Was een dier, dat hij zelf opgefokt en gedresseerd had. Maar het kwam hem niet in den zin zoo'n oud en onbruikbaar beest daarom te koopen. Neen, zeker niet! Hij was niet zoo dwaas zijn geld weg te gooien. Maar in ieder geval had het zien van dat paard allerlei herinneringen bij hem wakker geroepen, en die herinneringen hielden hem zóó wakker, dat hij niet naar bed kon gaan.
Ja, dat paard was een flink, mooi dier geweest. Vader had het hem heelemaal laten oppassen. Hij had hem 't eerst gereden, en hij hield meer van dat paard dan van eenig ander. Vader had er over geklaagd, dat hij het te veel voer gaf, en dikwijls had hij het in stilte haver gegeven.
Hij had nooit te voet naar de kerk willen gaan, toen hij dat paard had; hij had altijd gereden. 't Was alleen om met dat jonge paard te pronken. Zelf kwam hij in kleeren, die thuis geweven en genaaid waren, en de wagen was eenvoudig en opgeschilderd, maar het paard was het mooiste, dat op 't kerkplein kwam.
Eens had hij het gewaagd er met Vader over te spreken, of hij geen lakensche kleeren koopen zou en den wagen schilderen. Vader had verstomd gestaan. De zoon had gedacht, dat de oude man een beroerte zou krijgen. Hij had toen geprobeerd Vader aan 't verstand te brengen, dat hij, als hij zoo'n mooi paard voor den wagen had, er zelf toch ook een beetje knap uit moest zien.
Vader had niets geantwoord. Maar een paar dagen later was hij met het paard naar Örebro gegaan, en had het verkocht.
Dat was hard! Maar 't was duidelijk, dat Vader bang was geweest, dat dit paard hem tot overdaad en verkwisting zou verleiden, en nu, zoolang daarna, moest hij erkennen, dat Vader