gelijk had gehad. Zoo'n paard zou hem tot een verzoeking hebben kunnen worden. Maar in 't begin was hij vreeselijk bedroefd geweest. Hij was nu en dan naar Örebro gegaan, alleen om op den hoek van een straat te kunnen staan, en 't paard voorbij te zien rijden, of om bij hem in den stal te sluipen met een klontje suiker.
"Als Vader sterft, en ik de hoeve krijg," had hij gedacht, "koop ik allereerst mijn paard weer terug."
Nu was Vader dood, en hijzelf had nu de hoeve al een paar jaar, maar hij had nog geen poging gedaan om het paard terug te koopen. Hij had in lang niet aan het dier gedacht, voor nu, van avond.
't Was vreemd, dat hij het zoo heelemaal had kunnen vergeten. Maar Vader was een man, die gebiedend optrad, met een heel sterken wil, en toen de zoon volwassen was, en die twee veel samen werkten, had Vader grooten invloed op hem gekregen. En het had hem toegeschenen, dat Vader gelijk had in alles, wat hij deed. En sinds hijzelf de hoeve had gekregen, had hij maar geprobeerd in alles zóó te handelen, als Vader zou gedaan hebben.
Hij wist wel, dat de menschen zeiden, dat Vader gierig was, maar het was toch wel goed zijn beurs wat toe te houden, en geen geld onnodig weg te gooien. Het goed, wat men gekregen had, moest men niet door nalatigheid verwaarloozen. 't Was beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder groote leeningen gebukt te gaan, zooals de andere grondeigenaars.
Zóóver was hij in zijn gedachten gekomen, toen hij opschrikte, omdat hij iets vreemds hoorde. 't Was alsof een schelle, spottende stem precies herhaalde, wat hij dacht:
"'t Is 't beste je beurs stijf toe te houden. 't Is beter gierig te heeten, en op een schuldvrije hoeve te zitten, dan onder leeningen gebukt te gaan, als de andere grondeigenaars."
't Klonk, alsof iemand den draak stak met zijn wijsheid, en hij was op 't punt boos te worden, tot hij merkte, dat alles een vergissing was. 't Was begonnen te waaien en hij had hier gestaan, tot hij zoo slaperig was, dat hij het huilen van den wind in den schoorsteen voor werkelijk spreken gehouden had.
Hij keek naar de klok aan den muur. Die sloeg juist elf zware slagen. 't Wordt tijd, dat je naar bed gaat," dacht hij. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij nog niet de hoeve was rondgegaan, zooals hij iederen avond placht te doen, om na te zien, of alle deuren en luiken dicht waren, en alle lichten uit.
Dat had hij nog nooit verzuimd, sinds hij de heer des huizes daar was geworden. Hij sloeg zijn jas om zich heen, en ging naar buiten in den storm.
Hij vond alles in orde, behalve dat de deur van de leege schuur