door den wind was opengevlogen. Hij ging naar binnen om den sleutel te halen, sloot de schuur, en stopte de sleutel in den zak van zijn jas. Toen ging hij terug naar de groote kamer, deed de jas uit, en hing die voor het vuur. Maar hij ging ook nu niet naar bed, maar begon in de kamer heen en weer te loopen. 't Was vreeselijk wee buiten, met dien snerpend kouden wind en den met sneeuw vermengden regen. En zijn oud paard stond daar in den storm, zonder ook maar een dekje als beschutting over zich heen. Hij had toch zijn ouden vriend wel een dak boven zijn hoofd kunnen geven, nu hij eenmaal weer daar in de buurt gekomen was.
Midden op de plaats van de herberg hoorde de jongen een oude rammelende klok aan den wand elf uur slaan. Juist toen was hij bezig het vee los te maken, om het naar de schuur op de boerderij te brengen.
Het nam heel wat tijd om de dieren wakker en gerangschikt te krijgen; maar eindelijk waren zij klaar, en trokken op naar de boerderij met de gierige bewoners, in een lange rij, met den jongen vooraan als gids.
Maar terwijl de jongen dat alles in orde bracht, was de boer de plaats rondgegaan, en had de hooischuur gesloten, zoodat de deur dicht was, toen de dieren er aankwamen. De jongen bleef verbluft staan. Neen, hij kon het vee daar niet laten staan. Hij moest het huis in, en den sleutel zien te bemachtigen.
"Houd je nu rustig hier, terwijl ik naar binnen ga, om den sleutel te halen," zei hij tegen het oude paard, en meteen liep hij weg.
Midden op de plaats bleef hij staan, om te overleggen, hoe hij in huis zou komen. Terwijl hij daar stond, zag hij een paar kleine zwervers over den weg loopen, en stilhouden voor de herberg.
De jongen zag dadelijk, dat het een paar kleine meisjes waren, en hij liep gauw naar hen toe, omdat hij meende, dat hij misschien van haar hulp zou kunnen krijgen.
"Zie zoo, Brita Maja," zei de eene, "nu moet je niet meer schreien! Nu zijn we bij de herberg. Hier mogen we wel binnenkomen."
Nauwlijks had het meisje dit gezegd, of de jongen riep haar toe: "Neen, jelui moet niet probeeren in de herberg te komen. Dat is heelemaal onmogelijk. Maar in die boerderij daar hebben ze geen gasten. Daar moet jelui heengaan."
De meisjes hoorden de woorden duidelijk, maar ze konden niet zien, wie ze zeide. Maar daar waren ze niet verbaasd over, want het was immers stikdonkere nacht. De oudste van hen antwoordde dadelijk: