"We willen niet naar die hoeve gaan, want de menschen die daar wonen, zijn boos en gierig. Het is hun schuld dat wij beiden hier op den weg moeten loopen bedelen."
"Dat kan wel wezen," zei de jongen, "maar jelui moet daar in ieder geval heengaan. Jelui zult zien, dat het goed gaat."
"Ja, we kunnen het wel probeeren, maar we worden niet eens binnengelaten," zeiden de twee kleine meisjes, liepen op het huis toe, en klopten aan.
Weer stond de boer voor het vuur, en dacht aan het paard, toen hij hoorde, dat iemand aanklopte. Hij ging naar buiten om te zien, wat het was, en hij dacht er juist over, dat hij zich niet zou laten overhalen om een of ander zwerver op te nemen. Maar op het oogenblik, dat hij het slot open deed, was er een windvlaag bij de hand, die hem een poets speelde. Die rukte hem de deur uit de hand, en sloeg die tegen de muur. Hij moest er uit op de stoep, om de deur weer dicht te trekken, en toen hij in de kamer terug kwam, stonden de meisjes al daarbinnen.
't Waren een paar arme bedelaarstertjes, havelooze, hongerige vuile kinders, een paar meisjes, die onder zakken gebukt liepen, even groot als zijzelf.
"Wat ben jelui voor kinders, die zóó laat in den nacht nog buiten rondzwerft?" vroeg de boer onvriendelijk.
De kinderen antwoordden niet, maar zetten eerst haar zakken neer. Toen kwamen ze op hem toe, en staken de handjes uit om hem te begroeten. "Wij zijn Anna en Brita Maja van Engärde!" zei de oudste, "en we wilden om nachtverblijf vragen."
Hij nam de uitgestoken handjes niet aan, en was juist van plan die bedelkinderen weg te sturen, toen een nieuwe herinnering in hem opkwam. Engärde, — was dat niet het hutje, waar een arme weduwe met haar vijf kinderen gewoond had? Maar de weduwe was zijn vader een paar honderd kronen schuldig geweest, en om zijn geld te krijgen, had hij haar hutje laten verkoopen. Toen was de weduwe naar Norrland gegaan met de oudste kinderen om werk te zoeken, en de twee jongste waren ten laste van de gemeente gekomen.
Hij werd bitter gestemd, toen hij daaraan dacht. Hij wist, dat men het sterk had afgekeurd, dat zijn vader dat geld had opgeeischt, dat toch zijn rechtmatig eigendom was.
"Wat voeren jelui tegenwoordig uit?" vroeg hij de kinderen op strengen toon. "Heeft de diaconie niets voor jelui gedaan? Waarom loop jelui nu te bedelen?"
"Dat kunnen wij niet helpen," zei het oudste meisje. "De menschen, waar wij bij inwonen, sturen ons uit om te bedelen."
"Nu, jelui hebt de zakken vol," zei de boer, "je hebt dus niet