Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/239

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

te klagen. Nu is 't maar 't beste, dat je er uit neemt, wat je bij je hebt, en je genoegen eet, want hier kun je geen eten krijgen. De vrouwen zijn al naar bed. Dan kun je in den hoek bij den haard gaan liggen, dan heb jelui 't ten minste niet koud."

Hij maakte een beweging met de hand, alsof hij ze afwijzen wilde, en in zijn oogen kwam een uitdrukking, die bijna hard was. Hij moest immers blij zijn dat hij een vader had gehad, die op zijn zaken paste. Anders had hij zelf misschien als kind moeten rondloopen met den bedelzak op den nek, zooals nu deze twee.

Nauwelijks had hij dat gedacht, of die schelle, spokende stem, die hij dien avond nog eens gehoord had, herhaalde het woord voor woord. Hij luisterde, en begreep dadelijk, dat het niets was, enkel de wind in den schoorsteen.

Maar dat was het wonderlijke: — als de wind zoo zijn gedachten herhaalde, kwamen ze hem zoo dom en hard en valsch voor.

De kinderen waren intusschen naast elkander op den harden vloer gaan liggen. Ze waren niet stil, maar lagen te mompelen.

"Wil jelui wel eens stil wezen!" wei hij. Hij was zoo prikkelbaar, dat hij ze wel had willen slaan.

Maar dat gemompeld bleef toch voortduren, en hij riep nog eens, dat ze moesten zwijgen.

"Toen Moeder van ons wegging," antwoordde daarop een helder stemmetje, "heeft we me laten beloven, dat ik elken avond mijn avondgebed zou opzeggen. En dat moet ik doen en Brita Maja ook. Zoodra we hebben opgezegd van: "Onze lieve Heer, die de kinderen liefhebt" zullen we stil zijn."

De boer zat stil te luisteren, hoe de kleintjes hun gebedje opzeiden. Toen begon hij met groote stappen heen en weer te loopen, — heen en weer, — en hij wrong de handen, alsof hij in grooten angst was.

Het paard weggejaagd en bedorven, en hier die twee kinders tot zwervende bedelaars gemaakt! En dat allebei was 't werk van zijn vader! Misschien had zijn vader toch niet altijd gelijk bij alles wat hij deed.

Hij ging op een stoel zitten, en steunde het hoofd in de handen. Op eens begon zijn gezicht te trillen en te beven, en hij kreeg tranen in de oogen, die hij haastig wegveegde. Er kwamen nieuwe tranen, die hij even snel wegveegde, maar het hielp niet. Er kwamen telkens meer.

Nu deed zijn moeder de deur van de kleine kamer open, en hij draaide gauw zijn stoel zóó, dat hij haar den rug toekeerde. Maar zij moest toch iets ongewoons hebben gemerkt, want ze stond een heele poos achter hem, alsof ze verwachtte, dat hij