iets tegen haar zou zeggen. Toen dacht ze er aan, hoe moeielijk het altijd een man valt, om te spreken van wat hem het diepst ter harte gaat. Ze zou hem wel moeten helpen.
Ze had van uit de kleine kamer alles gezien, wat er in de groote gebeurde, zoodat ze niets behoefde te vragen. Ze liep maar heel stil naar de twee slapende kinderen, nam ze op, en droeg ze naar haar eigen bed in de kleine kamer. Toen ging ze weer naar haar zoon. "Zeg eens.,Lars" zei ze, en deed, alsof ze niet zag, dat hij schreide, "je moet mij die twee kinderen laten."
"Wat, Moeder?" wei hij, en probeerde zijn tranen meester te worden.
"Ik heb al jaren lang medelijden met hen gehad, al van den tijd af, dat Vader hun het hutje afgenomen heeft. En dat heb jij ook."
"Ja, maar..."
"Ik wil ze hier houden en flinke menschen van hen maken. Ze zijn te goed om te loopen bedelen."
Hij kon niet antwoorden, want de tranen kwamen met onweerstaanbare kracht. Maar hij nam de gerimpelde hand van zijn moeder, en streelde die.
Maar toen richtte hij zich snel op, alsof hij schrikte.
"Wat zou Vader hiervan zeggen?"
"Vader heeft zijn tijd gehad, waarin hij bestuurde. Nu is jouw tijd gekomen," zei de moeder. "Zoolang Vader leefde, moesten we hem gehoorzamen. Nu moet jij je toonen, zooals je ben."
De zoon was zóó verwonderd over die woorden, dat hij ophield met schreien.
"Ik toon me toch, zooals ik ben," zei hij.
"Neen," antwoordde zijn moeder. "Dat doe je niet. Je probeert aldoor op Vader te lijken. Vader heeft slechte tijden beleefd, en dat heeft hem bang gemaakt om arm te worden. Hij meende, dat hij wel gedwongen was allereerst om zichzelf te denken. Maar jij hebt nooit iets zwaars doorgemaakt, dat je hard heeft kunnen maken. Je hebt meer dan je noodig hebt, en 't zou heel onnatuurlijk zijn, als je niet aan anderen dacht."
Toen de kleine meisjes in huis gekomen waren, was de jongen ze nageslopen, en al dien tijd had hij zich in een donker hoekje verborgen. Het had niet lang geduurd, voor hij den schuursleutel in 't oog kreeg, die uit den jaszak stak. "Als nu de boer de kinderen de deur uit zet, pak ik den sleutel, en loop er meê weg," dacht hij.
Maar toen werden de kinderen niet weggejaagd, en de jongen zat nog in den hoek, en begreep niet, wat hij beginnen moest.
De moeder sprak lang met haar zoon, en terwijl zij sprak, hield hij op met schreien, en eindelijk zat hij met zoo'n goede uitdruk-