king op zijn gezicht, en zag er uit als een ander mensch. En aldoor streelde hij die oude gerimpelde hand.
"Ja, nu moeten we toch naar bed," zei de oude vrouw, toen ze zag, dat hij weer kalm was.
"Neen," zei hij, en stond snel op. "Ik kan nog niet naar bed gaan. Er is nog een gast, dien ik nu van nacht ontvangen mag."
Hij zei niets meer, maar hij trok haastig zijn jas aan, stak een lantaarn aan, en ging naar buiten. Buiten woei dezelfde felle wind, en 't was er even koud, maar toen hij op de stoep kwam, begon hij te neuriën. Hij vroeg zich af, of het paard hem nog kennen zou, en of het blij wezen zou, als het weer in zijn ouden stal terugkwam.
Toen hij over de plaats liep, hoorde hij een deur slaan in den wind.
Dat is de schuurdeur, die weer is opengewaaid," dacht hij, en ging er heen om die te sluiten.
Een oogenblik later stond hij bij de schuur, en wilde juist de deur sluiten, toen hij daarbinnen iets hoorde ritselen.
Dat kwam, omdat de jongen gezorgd had gelijk met hem naar buiten te komen, en hij was dadelijk naar de schuur geloopen, waar hij het vee had verlaten. Maar ze stonden niet meer buiten in de regen. Een sterke windvlaag had al lang geleden de schuurdeur opengestooten en hen onder dak gebracht, maar 't was het geluid, dat de jongen maakte, toen hij in de schuur sprong, wat de boer hoorde. Nu lichtte hij met de lantaarn in de schuur, en zag toen, dat over den heelen vloer slapend vee lag. Geen mensch was te zien. De dieren waren niet vastgebonden, maar lagen hier en daar in het stroo. Hij werd boos op die indringers, en begon te roepen en te schreeuwen om de slapende dieren te wekken, en ze naar buiten te jagen. Maar zij bleven stil liggen, alsof ze niet van plan waren zich te laten storen. De eenige, die opstond, was een oud paard, dat heel langzaam op hem toekwam.
Op eens werd de boer stil. Hij herkende het paard al aan zijn manier van loopen. Hij hief de lantaarn op, om het te kunnen zien, en het dier kwam dicht bij hem, en legde den kop op zijn schouder.
En de boer begon hem te strelen. "Mijn best paard," zei hij.
"Mijn best paard! Wat hebben ze je gedaan? Ja, beste, ik zal je terugkoopen. Je hoeft nooit meer van de plaats weg. Je zult het goed hebben, jongen. Die anderen, die je hebt meêgebracht, mogen hier blijven, maar jij moet met me meê naar den stal. Nu kan ik je zooveel haver geven, als je eten kunt, zonder dat ik dat in stilte hoef te doen. Je ben ook nog niet heelemaal op. Je