Vinön. Daar kreeg een oud vrouwtje hen in het oog van uit haar venster. Ze liep gauw haar hutje uit, zwaaide met de armen, en riep hun iets toe, wat ze niet konden verstaan. Zij begrepen wel, dat zij hen waarschuwde, de wandeling niet voort te zetten. Maar zij, die op het ijs waren, zagen immers wel, dat er geen gevaar was. 't Zou al heel dom zijn van het ijs te gaan, nu alles zoo mooi ging.
Ze liepen dus Vinön voorbij, en hadden nu nog zoowat een uur gaans over het ijs voor den boeg. Daar waren zulke groote waterplassen, dat de kinderen groote omwegen moesten maken. Maar dat vonden ze wel prettig. Ze deden om 't hardst hun best om uit te vinden, waar het ijs het mooiste was. Ze waren niet moe, en hadden geen honger. Ze hadden den heelen dag voor zich, en ze lachten maar, als er nieuwe moeilijkheden kwamen.
Nu en dan keken zij naar den overkant. Die scheen nog heel ver te wezen, hoewel ze al een uur geloopen hadden. Ze waren er wat verbaasd over, dat het meer zoo breed was.
't Lijkt wel, of die overkant achteruit loopt," zei de kleine Mads.
Hier waren ze niet beschut voor den westenwind. Die werd elke minuut heviger, en drukte hun de kleeren zóó vast tegen het lijf, dat ze zich met moeite konden bewegen. Die koude wind was het eerste echt onaangename, wat hun op die heele reis overkwam. Wat hun verwonderde, was, dat die wind zoo'n leven maakte. 't Was alsof die 't lawaai van een grooten molen, of een of andere werkplaats meêbracht. Maar zulke dingen konden er toch niet zijn op de ijsvlakte. Ze waren aan de westkust langs het groote eiland Valen gegaan, en nu meenden ze toch te kunnen merken, dat de noordelijke oever dichter bij kwam. Maar de wind werd al sterker, en het lawaai nam zóó toe, dat ze ongerust begonnen te worden.
Op eens meenden ze te begrijpen, dat het sterke geluid, dat ze hoorden, van golven kwam, die schuimend en bruisend tegen een strand sloegen, maar dat was toch onmogelijk, want het meer was nog met ijs bedekt.
Toch stonden ze stil, en keken rond. Toen zagen ze ver in het westen, bij Björnön en Göksholmlan, een witten muur, die dwars over 't ijs liep. Ze meenden eerst, dat het de besneeuwde kant van een weg was, maar toen begrepen ze, dat het schuim van golven was, die tegen het ijs sloegen.
Toen ze dat zagen, namen ze elkaar bij de hand, en begonnen hard te loopen, zonder een woord te zeggen. Het water daar in 't westen was open, en ze meenden gezien te hebben, dat de schuimrand zich haastig naar 't oosten verplaatste. Ze wisten niet, of het ijs overal breken zou, of wat er zou gebeuren, maar ze voelden, dat ze in gevaar waren.
Op eens kwam het hun voort, alsof het ijs opgeheven werd,