Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/244

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

juist op de plaats waar ze liepen — opgelicht werd en weer neerzonk, alsof iemand er van onderen tegen had gestooten. Daarop hoorden ze een dof knallen, en toen kwamen er barsten aan alle kanten. De kinderen konden ze door het ijs zien schieten.

Het bleef een poosje stil, maar toen voelde ze weer dat op en neer gaan van het ijs. En daarna werden de barsten spleten, waardoor ze het water zagen opborrelen. En onmiddellijk werden toen de spleten kloven, en het ijs begon zich in groote schotsen te verdelen.

"Asa," zei kleine Mads, "dit is zeker het kruien van 't ijs."

"Ja, Mads, dat is het," antwoordde Asa, "maar we kunnen nog aan land komen. Loop maar flink door."

De wind en de golven hadden nog heel wat te doen, om het ijs uit het meer te krijgen. Het moeilijkste was wel achter den rug, toen het ijsdek in stukken gebroken was. Maar al die stuken moesten op nieuw verdeeld worden, en tegen elkaar gegooid om gebroken, verbrijzeld en gesmolten te worden. Er was nog veel hard en vast ijs, dat groote gave velden vormde.

Maar het grootste gevaar voor de kinderen was, dat ze het ijs niet konden overzien. Ze konden niet zien, waar de spleten zoo breed waren, dat ze er onmogelijk overheen konden komen. Ze wisten niet, waar de groote ijsstukken waren, die hen konden dragen. Daarom zwierven ze heen en weer. Ze kwamen verder op het meer, in plaats van dichter bij het land. Ze waren zóó bang en radeloos op dat barstende ijs, dat ze eindelijk stil bleven staan schreien.

Daar kwam een troep wilde ganzen in snelle vlucht over hen heen strijken. Ze riepen hard en luid, en het wonderlijkste was, dat de kinderen onder al 't gekakel door de woorden hoorden:

"Jelui moet rechts loopen, rechts, rechts, rechts!"

Ze kwamen dadelijk in beweging, en volgden den raad, maar het duurde niet lang, of ze stonden op nieuw voor een spleet, en wisten niet wat ze doen moesten.

Weer hoorden ze de ganzen roepen boven hun hoofd, en in 't gekakel onderscheidden ze de woorden: "Blijf stil staan, waar je ben, blijf stil staan, waar je ben!"

De kinderen spraken geen woord over wat ze hoorden, maar ze gehoorzaamden, en bleven staan. Kort daarop gleden de ijsstukken weer naar elkaar toe, zoodt zij over de spleet konden komen. Toen namen ze elkaar weer bij de hand, en sprongen verder. Ze waren niet alleen bang voor het gevaar, dat hen dreigde, maar ook voor de hulp die ze kregen.

Al gauw stonden ze opnieuw twijfelend stil, maar toen hoorden ze weer een stem, die tot hen doordrong: "Recht door! Recht door!" zei de stem.