Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/245

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Zoo ging het wel een half uur achtereen; maar toen waren ze ook bij de lange Lungerlandtong, en konden van het ijs komen en naar het land waden. Toen bleek het, hoe bang ze geweest waren, want toen ze op den vasten grond kwamen, bleven ze niet eens staan, om naar het meer terug te zien, waar nu de golven de ijsblokken al heftiger omhoog stootten, maar ze liepen hard door.

Toen ze een eindje op de landtong waren gekomen, bleef Asa op eens staan.

"Wacht hier even Mads," zei ze. "Ik heb wat vergeten." En Asa, het ganzenhoedstertje, ging weer naar den oever van 't meer terug. Daar ging ze zoeken in haar zak, en haalde er eindelijk een klein klompje uit, dat ze op een steen zette, waar het goed in 't oog viel. Daarna ging ze naar den kleinen Mads terug, zonder ook maar één keer om te kijken.

Maar nauwelijks had zij den steen den rug toe gekeerd, of een groote, witte gans schoot neer als een bliksemstraal uit de lucht, rukte de klomp naar zich toe, en vloog met dezelfde snelheid weer naar boven.