XXIV.
DE IJZERFABRIEK
Een felle westen wind blies bijna den heelen volgenden dag,
toen de wilde ganzen over de mijndistricten kwamen, en zoodra
ze probeerden naar het noorden te vliegen, werden zij naar het
oosten gedreven, maar Akka meende, dat Smirre de vos, in 't
oosten van 't land rondzwierf. Ze wilde daarom niet dien kant
uitvliegen, maar keerde telkens opnieuw, en werkte zich met
moeite vooruit in de richting naar het westen. Op die manier
kwamen de wilde ganzen maar langzaam vooruit, en waren dien
middag nog in de mijndistrikten van Westmanland. Tegen den
avond ging de wind op eens liggen, en de vermoeide reizigers
begonnen te hopen, dat ze een poos gemakkelijk zouden kunnen
doorvliegen vóór zonsondergang. Maar daar kwam een geweldige
windvlaag. Die wierp de ganzen als ballen voor zich uit, en de
jongen, die zorgeloos neerzat, en niet op gevaar bedacht was,
werd van den rug van den ganzerik gelicht, en in de lucht geslingerd.
Zoo klein en licht als de jongen was, kon hij in zoo'n hevigen wind niet recht op den grond vallen, maar eerst ging hij een tijdlang met den wind mee, en toen zonk hij zacht en bij stootjes neer, zooals ene blad van een boom valt.
"Nu, dat loopt wel goed af," dacht de jongen nog onder het vallen. "Ik rol zoo langzaam op den grond, alsof ik een velletje papier was. Maarten, de ganzerik zal wel gauw komen en me oprapen."
Het eerste, wat hij deed, toen hij op den grond stond, was zijn muts afnemen en er meê wuiven, zoodat de groote witte ganzerik zou zien, waar hij was.
"Hier ben ik! Waar ben jij? Hier ben ik. Waar ben jij?" riep hij. En hij verbaasde er zich over, dat Maarten, de ganzerik, al niet naast hem stond.
Maar de groote witte was niet te zien, en ook de figuren van de wilde ganzen zag hij niet tegen den hemel afsteken. Ze waren spoorloos verdwenen.