Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/247

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Hij vond dat wel een beetje vreemd, maar hij werd niet verschrikt of onrustig. Het kwam geen oogenblik bij hem op, dat Akka of Maarten hem in den steek zouden laten. Die hevige windvlaag had hen zeker meêgesleurd. Zoodra ze maar konden omkeeren, zouden ze wel terugkomen om hem te halen.

Maar wat was dat nu? Waar in de wereld was hij toch? Tot nu toe had hij alleen maar in de lucht gekeken naar de ganzen, maar nu begon hij om zich heen te zien. Hij was niet op het vlakke veld neergevallen, maar in een breede bergspleet, of iets dergelijks. 't Was een ruimte, zoo groot als een kerk, met bijna loodrechte rotswanden aan alle zijden, en heelemaal zonder dak. Op den grond lagen een paar groote boschbessenstruiken en kleine lage berkjes. Hier en daar waren terrasjes in de wanden en vandaar hingen oude, verwaarloosde houten ladders naar beneden. Aan de ene zijde was de opening van een zwart gewelf, dat diep in den berg scheen te lopen.

De jongen had niet voor niets een heelen dag over de mijndistricten gereisd. Hij begreep dadelijk, dat die groote kloof was ontstaan, doordat de menschen vroeger erts daar uit den berg hadden gehaald.

"Maar ik moet toch zien weer naar boven te klauteren," dacht hij, "want anders ben ik bang, dat mijn reiskameraden me niet vinden."

Hij zou juist naar een van de wanden loopen, toen iemand hem van achteren aanpakte, en hij een zware stem vlak bij zijn oor hoorde brommen:

"Wat ben jij er voor een?"

De jongen keerde zich snel om, en in zijn eerste verbazing meende hij, dat hij een groot steenblok voor zich had, met lang bruin mos begroeid, maar toen merkte hij, dat het steenblok breede voeten had om op te loopen, een kop, oogen en een grooten, brommenden mond.

Hij kwam er niet toe te antwoorden, en het groote dier scheen dat ook niet te verwachten. Het gooide hem om, rolde hem met de poot heen en weer, en besnuffelde hem. Het deed juist, alsof het van plan was hem in te slikken, maar scheen tot andere gedachten te komen, en riep: "Morre en Bromme! Kindertjes, kom eens hier. Ik heb een lekker hapje voor jelui."

Dadelijk kwamen er een paar slordige jongen aanrennen, die los op de pooten stonden, en een zacht velletje hadden als jongen honden.

"Wat hebt u gevonden, Moeder? Laat eens kijken?" riepen ze.

"O zoo! ben ik bij de beren gekomen!" dacht de jongen.

"Dan ben ik bang, dat Smirre niet veel moeite meer hoeft te doen om op mij te jagen."