De berin schoof met den poot den jongen naar haar kleintjes toe, en een van hen pakte hem, en sprong met hem weg. Maar hij beet niet door, want hij was speelsch, en wou zich een poosje met Duimelot vermaken, vóór hij hem doodbeet. De andere liep hem na, om hem den jongen af te nemen, en terwijl hij voortstrompelde, viel hij precies op den kop van hem, die den jongen droeg. Toen rolden ze over elkaar, beten en sloegen elkaar, en bromden.
Intusschen kwam de jongen los, sprong naar den bergwand, en begon naar boven te klauteren. Toen vlogen de beide jonge beren hem na, klommen vlug den berg op, haalden hem in, en gooiden hem neer op het mos als een bal.
"Nu weet ik, hoe een arm ratje zich voelt, als hij in de klauwen van een kat is gevallen," dacht de jongen. Hij probeerde telkens weg te komen. Hij sprong diep in de oude ertsgangen, verstopte zich achter de steenen, en klom in de berken, maar de jonge beren vonden hem, waar hij ook heenkroop. Zoodra ze hem gevangen hadden, lieten ze hem los, opdat hij weer weg zou loopen, en zij de pret zouden hebben hem weer te vangen.
Eindelijk werd de jongen zóó moe en akelig, dat hij op den grond bleef liggen.
"Loop nu weg, anders eten we je op," bromden de beertjes."
"Ja, doe dat maar," zei de jongen. "Ik kan niet meer wegloopen."
Dadelijk strompelden de beertjes naar de berin.
"Moeder. Moeder, hij wil niet meer spelen!" klaagden ze.
"Dan moet jelui hem samen delen," zei de berin. Maar toen de jongen dat hoorde, werd hij zoo bang, dat hij dadelijk weer begon te spelen.
Toen het tijd van slapen werd, en de berin haar jongen riep, om bij haar te komen, en te gaan slapen, hadden ze zoo'n plezier gehad, dat ze den volgenden dag verder wilden spelen. Ze namen den jongen tusschen zich in, en legden de pooten over hem heen, zoodat hij zich niet verroeren kon, zonder dat zij wakker werden. Ze sliepen dadelijk in, en de jongen, dacht, dat hij over een poosje zou probeeren van hen weg te sluipen. Maar nooit in zijn heele leven was hij zoo heen en weer gerold, en gejaagd en rondgeslingerd, en hij was zoo doodmoe, dat hij ook insliep.
Na een poosje kwam de berenvader aanklauteren langs den rotswand. De jongen werd wakker, doordat hij steenen en gruis losscheurde, terwijl hij neerkwam langs de oude groeve. Hij durfde zich niet veel te bewegen, maar draaide zich toch voorzichtig zoover om, dat hij den beer kon zien. 't Was een vreeselijk grof en sterk gebouwde oude beer met geweldige klauwen, groote glimmende hoektanden en leelijke kleine oogjes. De jongen rilde onwillekeurig, toen hij den ouden boschkoning zag.