Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/249

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

"'t Ruikt hier naar menschen," zei de beer, zoodra hij bij de berin kwam; en zijn gebrom klonk als een onweer.

"Hoe kun je je nu zooiets verbeelden?" zei de berin, en bleef rustig liggen. "We hebben immers afgesproken, dat we den menschen geen kwaad meer zullen doen. Maar als er zich hier een vertoonde, waar ik met de jongen ben, dan zou er niet eens zoo veel van hem overschieten, dat jij hem kon ruiken."

De beer ging naast de berin liggen, maar scheen met haar antwoord niet recht tevreden te zijn, want hij kon niet laten in 't rond te snuffen.

"Schei nu uit met dat gesnuffel!" zei de berin. "Je kent me toch genoeg om te weten, dat ik niets gevaarlijks bij de jongen zal laten komen. Vertel me liever, wat je hebt uitgevoerd. Ik heb je de heele week niet gezien."

"Ik heb naar een nieuwe woning omgezien," zei de beer.

"Eerst ben ik naar Wermeland geweest, om te hooren hoe de familie in Ekshärad het daar heeft. Maar dat was vergeefsche moeite. Er was geen berenhol meer in 't heele bosch.

"Ik geloof, dat de menschen alleen op de wereld willen zijn," zei de berin. "Al laat je hun vee en hun volk met rust, al leef je van boschbessen en mieren en groen, dan mag je nog niet in 't bosch blijven wonen. Ik zou wel eens willen weten, waarheen we moesten verhuizen om rust te hebben."

"Hier in de groeve hebben we 't immers jarenlang best gehad," zei de beer. "Maar ik kan 't niet uithouden, nu die groote lawaaiige fabriek hier vlak in onze buurt gebouwd is. Nu ben ik 't laatst ten oosten van de Dalrivier geweest, bij Garpenberg. Daar waren ook veel oude groeven en andere goede schuilplaatsen, en ik vond, dat het er daar ook uitzag, alsof de menschen er je wel met rust zouden laten..."

Op 't zelfde oogenblik, dat de beer dat zei, stond hij op en snuffelde om zich heen.

"'t Is vreemd, — maar als ik over menschen praat, ruik ik die lucht weer," zei hij.

"Zie nu maar zelf alles na, als je me niet gelooft," zei de berin. "Ik zou wel eens willen weten, waar hier ergens een mensch verborgen zou kunnen zijn."

De beer liep de heele ruimte door, en snuffelde overal rond. Eindelijk ging hij weer liggen, zonder een woord te zeggen.

"Zei ik 't niet?" zei de berin. "Maar jij gelooft natuurlijk, dat niemand, behalve jij, neus en ooren heeft."

"Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met zulke buren, als wij hier hebben," zei de beer kalm. Maar opeens stoof hij brullend op. Een van de jonge beertjes had bij ongeluk den poot op Niels Holgersson's gzicht gelegd, zoodat de stakker niet kon ademhalen,