Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/250

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

maar begon te snuiven. Nu kon de berin den beer niet langer houden, hij gooide zijn jongen rechts en links, en kreeg Duimelot in 't oog, vóór hij op kon staan.

Hij zou hem onmiddellijk hebben ingeslikt, als de berin zich niet tusschen hen in geworpen had.

"Blijf van hem af! Hij hoort van de jongen!" riep ze. "Ze hebben den heelen avond zoo'n pret met hem gehad, dat ze hem niet op wilden eten, maar hem voor morgen bewaren."

Maar de beer duwde haar op zij.

"Bemoei je nu niet met dingen, die je niet begrijpt," schreeuwde hij. "Merk je nu niet, dat hij een uur in den wind naar een mensch ruikt? Ik zal hem direkt opeten, anders speelt hij ons nog eens een leelijke poets."

Hij sperde weer den muil open, maar nu had de jongen tijd gehad, en hij had vliegens vlug zijn zwavelstokken uit zijn ransel gehaald. Dat was het eenige verdedigingsmiddel, dat hij had. Hij streek er een aan langs zijn leeren broek, en stak den brandenden zwavelstok in den bek van den beer.

De beer snoof en proestte, toen hij de zwavellucht rook en — uit was de vlam. De jongen hield een tweeden zwavelstok klaar, maar — wonderlijk genoeg — de beer deed geen aanval.

"Kun je nog meer van die blauwe vlammetjes maken?" vroeg de beer.

"Ik kan er zooveel aansteken, dat ze 't heele bosch kunnen vernielen," antwoordde de jongen, want hij meende, dat hij op die manier den beer bang kon maken.

"Zou je een huis en een hoeve ook wel in brand kunnen steken?" vroeg de beer.

"Dat zou voor mij in 't minst geen kunst zijn," blufte de jongen, en hoopte, dat de beer respect voor hem zou krijgen.

"Dat is best," zei de beer. "Dan kun je mij nog een dienst bewijzen. Nu ben ik blij, dat ik je niet opgegeten heb."

Toen nam de beer heel zacht en voorzichtig den jongen tusschen de tanden, en begon uit het hol naar boven te klimmen. Dat ging hem onbegrijpelijk vlug en gemakkelijk af, in aanmerking genomen, dat hij zoo groot en zoo zwaar was; en zoodra hij boven kwam, liep hij hard het bosch in. Dat ging ook met een vaart. Men kon merken, dat hij als geschapen was om door dichte bosschen heen te dringen. Zijn zwaar lichaam schoot door het kreupelhout, als een boot door het water.

De beer liep door, tot hij aan een heuvel aan den rand van 't bosch kwam, waar hij de groote ijzerfabriek kon zien. Daar ging hij liggen, zette den jongen voor zich neer, en hield hem met de beide voorpooten vast. "Kijk nu naar die groote lawaaifabriek," zei hij tegen den jongen.