De groote ijzerfabriek verhief zich met veel hooge en groote gebouwen aan den rand van een waterval. Hooge schoorsteenen zonden zwarte rookwolken in de lucht, de vlammen van den hoogoven flikkerden, en uit alle vensters en luiken straalde licht. Daarbinnen waren hamers en walsen aan den gang, en ze werkten met zoo'n kracht, dat de lucht weerklonk van het dreunen en ratelen. Om de werkplaatsen heen lagen reusachtige kolenschuren, groote hoopen slakken, pakhuizen, stapels planken en bergplaatsen voor gereedschap. Een eind verder stonden lange rijen arbeiderswoningen, mooie villa's, scholen, vergaderlokalen en winkels. Maar la dat andere was stil, en scheen te slapen. De jongen keek daar niet naar. Hij dacht alleen aan de fabrieksgebouwen. Daaromheen was het veld zwart; de hemel welfde zich prachtig donkerblauw boven de hoogovensvlammen, waar de waterval wit schuimend voorbij vloog, en zelf stonden ze daar, en zonden licht en rook uit, en vuur en vonken. 't Was het meest overweldigende, wat hij ooit had gezien.
"Je zult toch niet beweren, dat je zoo'n groote fabriek ook in brand kunt steken," zei de beer.
De jongen stond daar tusschen de berepooten geklemd, en hij meende, dat het eenige, wat hem redden kon, was, dat de beer een sterken indruk van zijn macht en kracht kreeg.
"Dat is me 't zelfde, of het groot of klein is," zei hij. "Ik kan dat best laten afbranden."
"Dan zal ik je wat zeggen," zei de beer. "Mijn voorouders hebben in deze streken gewoond, zoolang er bosschen hier in 't land groeiden, en ik heb het jachtgebied en 't veld om te grazen, het nest en alle schuilplaatsen van hen geërfd, en hier in rust mijn levenlang gewoond. In het begin werd ik niet vaak door de menschen gestoord. Ze liepen in den berg te hakken, en haalden er wat erts uit, en hier bij den waterval hadden ze een smederij en een smeltoven. Maar de hamer klonk enkel een paar uur per dag, en de oven brandde maar een paar maanden achter elkaar. Dat kon ik wel uithouden, maar nu in de laatste jaren, nu ze die lawaaifabriek hebben gebouwd, die met dezelfde vaart dag en nacht doorgaat, nu kan ik hier niet meer aarden. Vroeger woonde hier de eigenaar en een paar smeden, maar nu zit het hier zoo vol menschen dat ik nooit veilig voor hen ben. Ik dacht, dat ik wel gedwongen zou zijn te verhuizen, maar nu heb ik wat anders bedacht."
De jongen vroeg zich af, wat de beer wel bedacht zou hebben, maar hij kwam er niet aan toe het te vragen, want nu nam de beer hem opnieuw tusschen de tanden, en liep met hem den heuvel af. De jongen kon niets zien, maar hij begreep door het sterker wordend gedruisch, dat ze dichter bij de fabriek kwamen.