De beer liet hem ook in den smeltoven zien en in de ijzergieterij, en de jongen werd er steeds meer verbaasd over, toen hij zag, hoe de smeden met ijzer en vuur omgingen.
"Die menschen zijn heelemaal niet bang voor warmte en vlammen," dacht hij. Zwart en vol roet waren zij. Hij vond, dat ze op vuurmenschen leken, en daarom konden ze zeker 't ijzer buigen en vervormen naar welgevallen. Hij kon niet gelooven, dat het maar gewone menschen waren, die zulk een macht hadden.
"Kijk! Zoo gaan ze nu maar door — dag aan dag, nacht op nacht!" zei de beer, en ging op den grond liggen. "Je kunt wel begrijpen, dat zooiets je verveelt. 't Is heerlijk, dat ik er nu een eind aan maken kan."
"Zoo, kun je dat?" vroeg de jongen. "Hoe wil je dat doen?"
"Wel, ik stel me voor, dat jij die gebouwen hier in brand zult steken," zei de beer. "Dan zou ik rust krijgen, en al dat gedoe niet meer hooren, en ik zou hier in deze streek kunnen blijven wonen."
De jongen werd ijskoud van schrik. 't Was dus daarom, dat de beer hem hierheen had gebracht.
"Als je die lawaaifabriek in brand steekt, beloof ik je, dat je mag blijven leven," zei de beer. "Maar als je niet doet, wat ik wil, is 't gauw met je gedaan."
De groote werkplaatsen waren met tegels bekleed, en de jongen dacht, dat al zou de beer zooveel bevelen geven, als hij maar kon, hij die toch niet zou kunnen uitvoeren.
Maar toch zag hij al gauw, dat het niet zoo onmogelijk was. Dicht bij hem lag een berg stroo en spanen, die hij gemakkelijk in brand kon steken, daarnaast lag een stapel planken en die lag vlak bij de kolenschuur. En de kolenschuur raakte de werkplaatsen, en als die in brand raakten zouden de vonken al gauw op het dak van de fabriek vallen. Alles wat brandbaar was, zou vuur vatten, de muren zouden barsten door de hitte, en de machines vernield worden.
"Nu, wil je — of wil je niet?" zei de beer.
De jongen wist wel, dat hij dadelijk behoorde te antwoorden, dat hij niet wilde, maar hij wist ook, dat de bereklauwen die hem vasthielden, hem dan met één greep zouden doodknijpen. Daarom zei hij:
"Ik mag me zeker nog wel even bedenken."
"Nu ja, dat mag je wel," zei de beer, "maar ik moet je zeggen, dat het juist het ijzer is, wat de menschen zulk een macht over ons, beren, geeft, en dat ik daarom ook graag dat werk hier wil doen ophouden."
De jongen dacht, hoe hij het uitstel gebruiken zou, om op een of andere manier te zien weg te komen; maar hij was zóó bang,