dat hij zijn gedachten niet bij elkaar kon houden. Hij begon er over na te denken, wat het ijzer toch een goede hulp voor de menschen is. Ze hadden immers overal ijzer voor noodig. IJzer was er in de ploeg, die den akker open maakt, in de bijl, waarmee het huis gebouwd werd, in de zeis, die het koren maakte, in het mes, dat voor alles te gebruiken was. IJzer was er aan den teugel, die het paard leidde, aan het slot, dat de deur afsloot, in de spijkers, die de meubels bij elkaar hielden, in de platen, die het dak dekten: 't geweer, dat de wilde dieren uitroeide, was van ijzer, en het houweel, dat de groeve openbrak. IJzer bekleedde de oorlogsschepen, die hij in Karlskrona had gezien, op ijzeren rails rolde de lokomotief door het land, van ijzer was de naald, waarmeê de kleeren werden genaaid, de schaar, waarmeê de schapen werden geschoren, de pan, waarin het eten werd gekookt. 't Groote en 't kleine, al het nuttige en onontbeerlijke, van ijzer was het alles! De beer had wel gelijk, toen hij zei, dat het ijzer de menschen macht over de beren had gegeven.
"Nu, wil je, of wil je niet?" vroeg de beer.
De jongen schrikte uit zijn gedachten op. Daar stond hij nu over allerlei onnoodige dingen te denken, en had nog geen manier gevonden om zich te redden.
"Je moet niet zoo ongeduldig wezen," zei hij. "Dat is een zaak van gewicht, en ik moet tijd hebben, om mij te bedenken."
"Nu, bedenk je dan nog een poosje," zei de beer. "Maar ik wil je wel zeggen, dat het ijzer er schuld aan heeft, dat de menschen zooveel wijzer zijn dan wij, beren. En daarom zou ik zoo graag dat gedoe hier weg hebben."
Toen de jongen opnieuw uitstel had gekregen, wilde hij dat gebruiken om een reddingsplan te bedenken. Maar zijn gedachten gingen, waar ze wilden, dien nacht, en ze hielden zich weer bezig met het ijzer. Hij meende zoo langzamerhand te begrijpen, wat de menschen al niet hadden moeten denken en peinzen, eer ze hadden uitgevonden, hoe ze het ijzer uit het erts konden smelten, en hij zag in zijn gedachten de zwarte smeden over het aambeeld gebogen staan, en met inspanning bedenken, hoe ze dat ijzer het best zouden hanteeren. 't Was misschien, omdat ze daar zooveel over hadden moeten denken, dat het verstand zoo was gaan groeien bij de menschen, tot ze eindelijk zoover waren gekomen, dat ze zulke groote fabrieken konden bouwen. Dit was zeker, dat de menschen meer aan het ijzer te danken hadden, dan ze zelf wisten.
"Nu, hoe is het?" zei de beer. "Wil je, of wil je niet?"
Weer kreeg de jongen een schok door de leden. Daar stond hij in onnoodige gedachten verdiept, en wist nog niet, wat hij doen moest om weg te komen.