"'t Is niet zoo makkelijk om te kiezen, als je wel denkt," zei hij. "Je moet me bedenktijd geven."
"Ik kan nog wel een poos wachten," zei de beer. "Maar dan krijg je geen uitstel meer. Je moet weten, dat het door het ijzer komt, dat de menschen hier in het berenland kunnen leven, en je kunt wel begrijpen, dat ik die fabriek hier weg wil hebben."
De jongen was van plan dit laatste uitstel te gebruiken, om een redmiddel te verzinnen, maar hoe angstig en verward hij ook was, zijn gedachten gingen, waar ze wilden, en ze begonnen nu zich met alles bezig te houden, wat hij op zijn tocht over de mijndistricten had gezien. 't Was wel merkwaardig, dat er zooveel leven en beweging, zooveel werk in die woestenij was. Stel je voor, hoe arm en eenzaam het hier wezen zou, als het ijzer hier niet was! Hij dacht aan de werkplaatsen hier, die aan zóóveel menschen werk gaven al van 't oogenblik af, dat ze gebouwd werden, en die nu zooveel huizen om zich heen hadden gekregen, vol menschen, die spoorwegen en telegraafdraden hadden meegebracht, die..."
"Nu, hoe is het?" vroeg de beer. "Wil je — of wil je niet?"
De jongen streek met de hand over het voorhoofd. Geen redmiddel had hij bedacht, maar zooveel wist hij — dat hij niets tegen het ijzer wou doen, dat zoo'n steun voor arm en rijk was, en dat zooveel menschen in dit land brood gaf.
"Ik wil niet," zei hij.
De beer kneep hem wat harder tusschen de pooten, zonder iets te zeggen.
"Je zult er me niet toe brengen een ijzerfabriek te vernielen," zei de jongen. "Want het ijzer is zoo'n groote zegen, dat het niet aangaat daar kwaad aan te doen."
"Dan verwacht je ook zeker niet, dat je lang zult leven," zei de beer.
"Neen, dat verwacht ik niet," zei de jongen, en keek den beer vlak in de oogen.
De beer kneep nog harder. Dat deed zoo'n pijn, dat de jongen tranen in de oogen kreeg, maar hij zei niets.
"Nu dan!" zei de beer, en hief langzaam den eenen poot op, want hij hoopte nog altijd, dat de jongen zou toegeven.
Maar op dit oogenblik hoorde de jongen iets knappen, dicht bij hen, en hij zag een glimmenden geweerloop op een paar stappen afstand. Hij en de beer waren zóó in gedachten verdiep geweest, dat ze niet gemerkt hadden, dat een mensch vlak bij hen gekomen was.
"Beer!" riep de jongen. "Hoor je dien geweerhaan niet overgaan?"
Maak, dat je weg komt, of ze schieten op je!"
De beer kreeg haast, maar nam toch den tijd den jongen mee