te nemen. Een paar schoten knalden, toen hij wegrende, en de kogels floten hem om de ooren, maar hij kwam gelukkig in veiligheid.
Toen de jongen daar in den bek van den beer hing, bedacht hij, dat hij zeker nooit zoo dom was geweest als dien nacht. Aks hij maar had gezwegen, was de beer geschoten, en hij zelf zou zijn losgekomen. Maar hij was er zoo aan gewend geraakt de dieren te helpen, dat hij het deed, zonder erover te denken.
Toen de beer een eind het bosch in was gekomen, bleef hij staan, en zette den jongen op den grond.
"Ik dank je wel, klein ventje," zei hij. "Die kogels zouden wel beter hebben getroffen, als jij er niet geweest was. En nu wil ik je ook een dienst bewijzen. Als je ooit weer een beer tegenkomt, dan moet je hem zeggen, wat ik je nu influister, — dan raakt hij je niet aan."
Toen fluisterde de beer den jongen een paar woorden in het oor, en liep toen snel voort, want hij meende te hooren, dat honden en jagers hem vervolgden.
En de jongen bleef staan in het bosch, vrij en ongedeerd. En hij kon zelf haast niet begrijpen, hoe dat mogelijk was.
De wilde ganzen hadden dien heelen avond heen en weer gevlogen, gezocht en geroepen; maar ze konden Duimelot niet vinden. Ze gingen door met zoeken, lang nadat de zon was ondergegaan, en toen het eindelijk zoo donker werd, dat ze moesten gaan slapen, waren ze heelemaal moedeloos. Er was niet een van hen, die niet geloofde, dat de jongen dood gevallen was, en nu ergens in 't bosch lag, waar ze hem niet konden vinden.
Maar den volgenden morgen, toen de zon opkwam boven de bergen, en de wilde ganzen wekte, lag de jongen als gewoonlijk tusschen hen in te slapen, en hij kon het lachen niet laten, toen hij wakker werd, en hen in hun verwondering hoorde kakelen.
Ze waren zoo vol vuur om te weten, wat hem overkomen was, dat geen van hen op voedsel uit wou gaan, voor hij zijn heele geschiedenis had verteld. De jongen vertelde vlug en levendig zijn heele avontuur onder de beren, maar later scheen hij niets meer te willen zeggen.
"Hoe ik hier terugkwam, weten jelui zeker we," zei hij.
"Neen, we weten niets; we dachten dat je dood gevallen was!"
"Dat is vreemd," zei de jongen. "Toen de beer weg was, klom ik in een den, en viel in slaap. Maar bij 't eerste aanbreken van den dag werd ik wakker, doordat een arend boven me aan kwam suisen, me beetpakte met zijn klauwen, en me meênam. Natuurlijk dacht ik, dat het nu met me gedaan was. Maar hij