XXV.
HET BROEDERDEEL.
DE OUDE GROEVESTAD.
Er was geen plaats in Zweden, waar Bataki, de raaf, zóó veel van hield als van Falun. Zoodra de sneeuw een beetje van het veld wegsmolt in de lente, ging hij er heen, en bleef verscheidene weken dicht bij de oude groevestad.
Falun ligt in een laag gedeelte van het dal, waardoor een kleine rivier stroomt. Aan het noordelijk deel van het dal ligt een helder, klein meertje met groene oevers, vol landtongen, dat Varpan genoemd wordt. Aan den zuidkant ligt een baai, die op een meer lijkt, en Tisken heet, met allerlei afval. Ten oosten loopt om het dal een mooie rij heuvels, die op hun toppen statige dennenbosschen dragen en sappige berken; de hellingen zijn met lommerrijke tuinen bekleed. Ten westen van de stad ligt ook een bergrug. De top is met armoedige naaldbosschen bedekt, en de heele helling is kaal, naakt, zonder gras of boomen, als een echte woestenij. Het eenige, wat het veld bedekt, zijn groote ronde steenblokken, die er over verspreid liggen.
De stad Falun, die in het diepst van het dal, aan beide zijden van de rivier ligt, ziet er uit, alsof ze afgepast is naar den grond, waarop ze gebouwd is. Aan de groene zij van het dal liggen al de gebouwen die er sierlijk of aanzienlijk uitzien. Daar liggen de beide kerken, het raadhuis, de woning van den gouverneur, het mijnkantoor, de bank, het hôtel, de vele schoolgebouwen, het ziekenhuis, alle mooie villa's en woningen. Aan den zwarten kant staan, straat aan straat, kleine roode huisjes voor één familie, lange kale schuttingen van planken, en groote, zware fabrieksgebouwen. En achter die straten, midden in de groote steenwoestenij, ligt de mijn van Falun met hijschmachines en pompen, met