Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/260

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

venster, maar enkel een rij kijkgaten, met zwarte luiken afgesloten, en bijna altijd goed met boomen dichtgemaakt. In dat huis had Bataki nooit kunnen kijken en daarom wekte dat zijn verwondering meer dan iets anders. Hij sprong rond op het dak om een gaatje te vinden, en hij zat dikwijls op den hoogen schoorsteen, en keek door de nauwe opening.

Op een dag ging het Bataki al heel slecht. 't Had sterk gestormd. Een kijkgat aan de oude zwavelkeuken was opengewaaid, en Bataki was er dadelijk door gevlogen, om in het gebouw te zien. Maar nauwelijks was hij erin, of het luik sloeg weer dicht, en Bataki was gevangen. Hij verwachtte, dat de wind het luik wel weer open zou gooien, maar die scheen daar in 't geheel geen plan op te hebben.

Er viel vrij wat licht in 't gebouw door spleten in den muur en Bataki had ten minste het genoegen te kunnen uitvinden hoe 't er daar binnen uitzag. Er was niet anders te zien, dan een groote oven, met een paar ingemetselde pannen, en die had hij al gauw voldoende bekeken. Maar toen hij weer naar buiten wilde, bleek het, dat het nog altijd onmogelijk was. De wind wilde het luik niet meer opengooien. Geen enkele deur, geen kijkgat, dat niet gesloten was. De raaf was doodeenvoudig gevangen.

Bataki begon om hulp te roepen, en hield dat den heelen dag vol. Er zijn zeker geen dieren, die zoo volhardend zijn in 't leven maken als raven, en al gauw werd het ver in 't rond bekend, dat hij gevangen zat. De grijsgestreepte kat van Tiskagen was de eerste, die het ongeluk begreep. Zij vertelde het aan de kippen, en die riepen het toe aan de voorbijvliegende vogels. Spoedig was het bekend bij de kraaien, duiven, roeken en musschen in de stad Falun. Zij vlogen dadelijk naar de oude zwavelkeuken om meer van de zaak te weten te komen. Ze hadden diep medelijden met de raaf, mar geen van hen kon iets bedenken om hem te helpen.

Op eens riep Bataki hun toe, met zijn scherpe, knorrige stem:

"Stil! jelui daar buiten! Luister nu naar mij! Als jelui me helpen wilt, ga dan heen, en zoek de oude, wilde gans, Akka van Kebnekaise en haar troep. Ik denk, dat ze in dezen tijd van 't jaar in Dalecarlië zijn. Vertel Akka hoe 't met me gesteld is. Ik geloof, dat zij de eenige bij zich heeft, die me helpen kan."

Agar, de postduif, de beste bode in 't heele land, vond den troep wilde ganzen bij de Dalelf, en toen de schemering viel, kwamen Akka en zij aanvliegen, en streken neer bij de zwavelkeuken. Duimelot zat op Akka's rug, maar de andere reisgenooten hadden ze op een eiland in de Runn gelaten, omdat Akka meende, dat ze meer schade dan nut zouden hebben gedaan, als ze mee naar Falun gekomen waren.