Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/261

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

Toen Akka een poos met Bataki aan het overleggen was geweest, nam ze Duimelot op den rug, en vloog naar een boerderij, die vlak bij de zwavelkeuken lag. Ze zweefde langzaam over de tuinen en bekenhagen, die het plaatsje omgaven, terwijl zie en de jongen aldoor naar beneden keken. 't Was duidelijk te zien dat hier kinderen waren, die gewoon waren om het huis te spelen, en het duurde ook niet lang, of ze vonden wat ze noodig hadden. In een vroolijk lentebeekje klapperde een rad van een klein smederijtje, en daar lag een half afgewerkte canoe en daarnaast een bosje touw.

Daarmeê vlogen ze terug naar de zwavelkeuken. De jongen maakte het touw om den schoorsteen vast, liet het in de diepte neer, en gleed er langs naar beneden. Toen hij Bataki had begroet, die hem met veel mooie woorden bedankte, omdat hij gekomen was, begon hij een gat in den muur te hakken met den beitel.

De zwavelkeuken had geen dikke muren, maar de jongen kreeg met iederen houw maar een splintertje los — zóó dun, dat een rat het met zijn voortanden wel had kunnen losknagen. 't Was duidelijk, dat hij den heelen nacht zou moeten werken, en misschien nog langer, eer hij zoo'n groot gat gemaakt had, dat Bataki er door kon.

De raaf verlangde zóó om los te komen, dat hij niet kon slapen, maar onder het werk naast den jongen bleef staan. In 't begin was Niels heel vlijtig, maar na een poosje merkte de raaf, dat de slagen steeds met grooter tusschenpoozen kwamen, en eindelijk heelemaal ophielden.

"Je ben zeker moe," zei de raaf. "Je kunt misschien niet langer werken!"

"Neen, ik ben niet moe," zei de jongen, en nam den beitel weer op, "maar ik heb al in lang geen enkelen nacht behoorlijk geslapen. Ik weet niet, hoe ik me wakker zal houden."

Nu ging het werk een poosje vlug door, maar toen kwamen de slagen weer met al langer tusschenpoozen. De raaf maakte den jongen weer wakker, maar hij begreep, dat, als hij hem niet op een of andere manier wakker kon houden, hij wel zou moeten blijven, waar hij was — niet alleen dien nacht, maar zeker ook nog den heelen volgenden dag.

"Zou misschien het werk beter gaan, als ik je een verhaal vertelde?" vroeg hij.

"Ja, dat kon wel," zei de jongen, maar tegelijk gaapte hij, en was zóó slaperig, dat hij nauwelijks zijn werktuig kon vasthouden.