DE SAGE VAN DE FALUNMIJN.
"Ik zal je eens wat zeggen. Duimelot," zei Bataki. "Ik heb al een lang leven achter mij. Ik heb veel goeds en veel kwaads ontmoet, en verscheiden keeren ben ik door de menschen gevangen. Op die manier heb ik niet alleen hun taal leeren verstaan, maar ik heb ook veel van hen geleerd. En ik durf beweren, dat er geen vogel hier in 't land is, die zooveel weet van je stamgenooten als ik.
Ik heb eens jaren achtereen in een kooi gezeten, bij een mijnopzichter hier in Falun, en in zijn huis hoorde ik wat ik je nu ga vertellen.
Heel lang geleden woonde hier in Dalecarlië een reus, die twee dochters had. Toen de reus oud werd en voelde, dat hij sterven zou, riep hij zijn dochters bij zich, om zijn bezittingen tusschen haar te verdeelen.
Zijn voornaamste rijkdom bestond uit een paar bergen, die vol koper waren, en die wilde hij aan zijn dochters geven. "Maar eer ik die erfenis afgeef," zei hij, "moet jelui me beloven, dat als er ooit een vreemdeling jelui kopermijnen mocht ontdekken, jelui hem zult doodslaan, voor hij zijn vondst aan anderen kan laten zien."
De oudste van de reuzendochters was wreed en woest, ze beloofde zonder aarzelen haar vader te gehoorzamen. De andere had een zachter karakter en de vader zag, dat zij zich bedacht, vóór ze haar gelofte aflegde. Daarom gaf hij haar maar een derde van de erfenis, terwijl de oudste zoowat dubbel zoveel kreeg als zij.
"Op jou kan ik vertrouwen, alsof je een man waart," zei de reus. "En daarom zul jij het broederdeel hebben."
Onmiddellijk daarop stierf de oude reus, en langen tijd waren de beide dochters even getrouw aan hun woord. 't Gebeurde meer dan één armen houthakker of jager, dat hij het kopererts zag, dat aan verscheidene kanten tegen den buitenkant van den berg aanlag, maar nauwlijks was hij thuisgekomen, en had hij over zijn vondst gesproken, of hij werd door een ongeluk getroffen, òf er stortte een doode denneboom op hem neer, òf hij kwam onder een grondverschuiving. Hij had nooit tijd aan een ander de, schat te wijzen, die op 't woeste veld te vinden was.
In dien tijd was het de gewoonte dat de boeren des zomers hun vee diep het bosch in zonden, om daar te grazen. De herder ging mee om op de melk te passen, en om kaas en boter te maken. Om voor menschen en kudden schuilplaatsen in de wildernis te maken, kapten de boeren een plaats open midden in 't bosch,