Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/263

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

en bouwden daar een paar hutjes, die zij zomerweihutten noemden.

Nu gebeurde het, dat een boer, die bij de Dalelf in de gemeente Torsang woonde, zijn zomerhutten had aan de oevers van 't meer Runn, waar de grond zoo steenig was, dat nog niemand had geprobeerd dien te ontginnen. Op een herfstdag ging een boer met een paar lastpaarden naar de zomerweide, om te helpen 't vee, de botervaten en kazen naar huis te brengen. Toen hij de kudde natelde, merkte hij op, dat een van de bokken heelemaal rood aan de horens was.

"Wat heeft de Karebok voor horens?" vroeg de boer aan de herderin.

"Dat weet ik niet," antwoordde zij. "Hij is van den zomer elken avond met roode horens thuis gekomen. Hij vindt het zeker mooi."

"Zoo, geloof je dat?" zei de boer.

"Hij doet zijn eigen zin, die bok; en als ik dat rood van zijn horens afschuur, gaat hij dadelijk heen, en zorgt, dat hij het terug krijgt."

"Schuur dan die roode verf nog eens af," zei de boer, "dan kan ik zien, hoe hij dat doet."

Pas waren de horens van den bok afgeschuurd, of hij liep hard het bosch in. De boer liep hem na, en toen hij den bok inhaalde stond die zijn horens te wrijven tegen een paar roode steenen. De boer nam de steenen op, proefde er van, en rook er aan. Hij meende te begrijpen, dat hij een of ander soort erts had gevonden. Terwijl hij daar stond te peinzen, kwam een steenblok aanrollen langs een helling vlak bij hem. De boer sprong opzij, en redde zich nog juist bijtijds; maar de bok Kare kwam vlak onder het blok, en werd dood geslagen. Toen de boer tegen de helling opkeek, zag hij een groote, sterke reuzenvrouw, die bezig was nog een steenblok naar beneden te gooien, dat op hem gemunt was.

"Wat doe je toch?" riep de boer. "Ik heb jou noch je familie ooit kwaad gedaan."

"Neen, dat weet ik wel," zei de reuzenvrouw. "Maar ik moet je doodslaan, omdat je mijn koperberg hebt ontdekt."

Dat zei ze met zóó'n bedroefde stem, alsof ze in 't geheel geen lust had hem te dooden, en daardoor kreeg de boer moed met haar te spreken. Toen vertelde zij hem van den ouden reus, van de belofte, die ze had gedaan, en van haar zuster, die het broederdeel gekregen had.

"Ik vind het zoo akelig al die onschuldige stakkers dood te maken, die mijn koperberg ontdekken," zei ze, "dat ik wou, dat ik die erfenis nooit had aangenomen." Maar wat ik beloofd heb, moet ik ook houden."

Toen begon ze weer aan het steenblok te trekken.