"Maar nu zoo'n haast niet!" riep de boer. "Om die belofte hoef je mij niet dood te maken. Ik heb het koper niet gevonden, maar de bok. En dien heb je al dood gemaakt."
"Vindt je, dat ik daarmeê genoeg gedaan heb?" vroeg de reuzendochter aarzelend.
"Ja zeker vind ik dat," zei de boer. "Je hebt je belofte zoo goed gehouden, als je maar kunt."
En hij sprak zoo verstandig met haar, dat hij mocht blijven leven.
Nu bracht de boer eerst de koeien naar huis. Toen ging hij naar de mijndistricten, en huurde knechts, die verstand van mijnwerk hadden. Die hielpen hem een mijn aan te leggen, daar waar de bok gestorven was. In 't begin was hij bang, dat hij ook gedood zou worden, maar 't was zeker zoo, dat de reuzendochter het bewaken van haar koperberg moe geworden was. Ze maakte het hem nooit lastig. De ertsader, die de boer had ontdekt, liep langs den buitenkant van den berg, zoodat het niet moeilijk of lastig was het erts uit te breken. Hij en de knechts sleepten brandhout uit het bosch, en legden groote vuren op den berg aan. Daarop lieten zij de ertsblokken door het eene vuur na het andere gaan, tot zij het zuivere koper te voorschijn hadden gekregen, en het van de slakken afgescheiden.
Vroeger gebruikten de menschen meer koper voor dagelijksch gebruik dan nu. 't Was toen een gezochte en nuttige waar, en de boer, die de mijn bezat, werd gauw schatrijk. Hij bouwde een groote, prachtige hoeve in de buurt van de mijn, en noemde die Kara-hoeve, naar den bok. Als hij naar de kerk in Torsang reed, was zijn paard met zilver beslagen, en toen zijn dochter bruiloft zou vieren, liet hij bier brouwen van twintig ton mout, en tien groote ossen aan het spit braden.
In dien tijd bleven de menschen meestal stil elk in hun woonplaats, en werden de nieuwtjes niet zoo gauw verspreid as nu. Maar het gerucht, dat er een groote koperberg was gevonden, bereikte toch veel menschen, en zij, die niets beters te doen hadden, gingen op reis naar Dalecarlië. Op Kare-hoeve werden alle arme reizigers goed ontvangen. De boer nam ze in dienst, gaf hun een goed loon, en liet hen erts voor hem uitbreken. Er was overvloed van erts, en hoe meer knechts hij aan 't werk kon zetten, hoe rijker hij werd.
Maar op een avond moet het gebeurd zijn, dat vier flinke mannen met houweelen op den schouder naar Kare-hoeve kwamen. Ze werden goed ontvangen, als alle andere, maar toen de boer vroeg, of ze bij hem wilden werken, zeiden ze kortaf: "Neen."
"We willen voor eigen rekening werken," zeiden ze.
"Ja, maar deze koperberg is van mij," zei de boer.
"We zijn niet van plan in jouw mijn te graven," antwoordden