Naar inhoud springen

Pagina:Lagerlof, Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917).pdf/265

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

de vreemden. "De berg is groot, en op wat vrij en onbeschut in de wildernis ligt, hebben wij evenveel recht als jij."

Meer werd hierover niet gesproken, en de boer ging voort den vreemden gastvrijheid te geven. Vroeg in den morgen gingen ze uit om te werken, vonden kopererts een eind verder, en begonnen het uit te graven. Toen ze dat een paar dagen hadden gedaan, ging de boer naar hen toe.

"Er is hier veel erts in den berg," zei hij.

"Ja, daar moeten nog veel menschen aan werken, voor die schat gelicht is," zei een van de vreemden.

"Dat begrijp ik wel," zei de boer. "Maar ik vind toch, dat jelui mij belasting betalen moet voor het erts, dat je uitgraaft, omdat het door mij komt, dat er hier mijnwerk kan worden gedaan."

"Nu begrijpen we niet, wat je bedoelt," zeiden de mannen.

"Ja, ik heb door mijn verstandige manier van doen dezen berg vrij gemaakt," zei de boer, en vertelde hun van de beide reuzendochters en het broederdeel.

De mannen luisterden hier heel oplettend naar, maar ze schenen bij iets anders in het verhaal stil te staan, dan wat de boer verwachtte.

"Ben je er zeker van, dat de andere reuzendochter gevaarlijker is dan zij, die jij ontmoette?" vroegen ze.

"Ja, ik geloof niet, dat ze veel medelijden met jelui zou hebben," antwoordde de boer.

Met die woorden ging hij heen, maar hij hield hen in 't oog, en zag na een poosje, dat ze met werken ophielden, en het bosch ingingen.

Toen de menschen op Kare-hoeve dien dag aan het avondeten zaten, hoorden ze een vervaarlijk wolvengehuil uit het bosch, en onder het huilen der wilde dieren door hoorden ze menschen schreeuwen. De boer stond dadelijk op, maar de knechts schenen geen lust te hebben om meê te gaan.

"'t Zou wel goed zijn, als dat dievenpak door de wolven verscheurd werd," zeiden de knechts.

"We moeten toch helpen wie in nood zijn," zei de boer, en trok met alle vijftig knechts uit.

Al spoedig kregen ze een vreeselijk grooten troep wolven in 't oog, die over elkaar heen rolden, en rukten, en vochten om een buit. De knechts joegen ze weg, en vonden op den grond vier menschenlichamen, die zoo mishandeld waren, dat niemand zou hebben begrepen, wie ze waren, als er niet vier houweelen bij hen hadden gelegen.

Na dien tijd bleef de koperberg het eigendom van één man, tot na den dood van den boer. Toen namen zijn zonen die over. Die werkten gezamenlijk in de mijn, maar het erts, dat ze in